Maart roert nog zijn staart, maar toch.
Uit de wind, in de luwte, voel je dat de zon langzaam uit haar winterslaap komt.
Van binnen begint het alweer te kriebelen.
Ik heb twee weken overwinterd in een warm land en kijk uit naar het voorjaar.
De caravan is van stal gehaald, ontdaan van stof en spinnenwebben. Eenmaal op de oprit verschijnen de eerste kampeerspullen alweer naar buiten.
Nog enkele weken en dan… dan…
Wanneer we Groningen achter ons laten, op weg naar Friesland, lijkt ook de caravan er zin in te krijgen. Eerst hing hij nog wat bokkig achter de auto, maar al snel rijdt hij soepel mee.
Bij de afslag naar de camping begroeten buurtbewoners ons met brede armzwaaien. Ze herkennen de auto en de caravan.
De camping oogt nog leeg, maar hier en daar staat al een caravan op zijn vaste plek. Lang zal het niet duren voor de open ruimtes weer gevuld zijn.
Dan komt opnieuw het beeld van de ooievaars bij me op.
Na een lange trek strijken ze neer en zoeken vanuit een hoge boom naar hun nestplek. Sommigen komen samen aanvliegen, anderen alleen. Klepperend worden onderweg opgedane verhalen gedeeld.
Zoals ook hier.
“Ja, stil om mij heen.
Je komt het huis binnen en alles is donker.
Niet kunnen delen.
Eenzaamheid… ik wist niet hoe het voelde.”
De man kijkt me aan, maar zijn gedachten zijn ergens anders.
Ik zie Truus lopen met een stok. De knieoperatie is goed gegaan, maar zij en haar nieuwe knie moeten nog aan elkaar wennen.
Jannie is ouder geworden.
“Je merkt het aan alles,” zegt ze.
Johan komt niet meer. De zorg voor zijn vrouw slokt hem volledig op.
Ondertussen verrijzen luifels en voortenten. Het eerste windscherm wordt geplaatst.
Dan draait een onbekende caravan het terrein op.
Even kijken we op.
Nieuwe buren. Zeker.
Nog diezelfde middag staat alles op zijn plek. Een kinderfietsje ligt in het gras, naast een pop waarvan één arm wat scheef hangt. Twee kleine meisjes rennen naar de schommel.
Een van hen valt, huilt even en rent dan weer verder.
Moeder kijkt toe.
Het leven gaat door.
