Op een been

Op een been

Met zacht geroep probeert de armoedig geklede man aan de kant van de weg mijn aandacht te trekken. In de schaduw van een muurtje zit hij de wandelaars op te nemen. Op het karton op zijn borst staat zijn handicap vermeld. Wat niet nodig is. Zijn lege broekspijp ligt slap op de grond naast zijn gezonde been, dat zonder schoen naar voren steekt. Het gat in zijn sok laat zien dat zijn voet nodig een wasbeurt verdient.
Vanuit mijn ooghoek neem ik het waar, terwijl ik doorloop. Bedelaars, je komt ze overal in het buitenland tegen. Zijn klagende roep schampt mijn rug.
Ineens komt het naar boven. Is het mijn geweten of de stem van de Heer?
Durf je wel? Net opgestaan uit het restaurant waar je samen met je vrouw een groot glas verse sinaasappelsap hebt gedronken. Kosten, zeven euro. En dan loop je een arme bedelaar voorbij?
Ik draai me om en loop terug naar de man aan de kant. Mijn euro glijdt de hoed in, die voor hem op de grond staat. Hij grijnst en zijn tandeloze mond mummelt een bedankje. “Gracias”

Op weg terug naar ons verblijf gaat dit door me heen: je mag sommige dingen uit de Bijbel toch wel visionair maken? Misschien kom je die man later op de nieuwe aarde nog eens tegen. Wie weet, zegt hij dan: “Nog bedankt voor de euro van toen.”
Twee dagen later verlaat, zonder mijn wroeging, opnieuw een euro mijn broekzak. De man vriendelijk aankijkend, mompel ik: “Bedankt voor de les.”
De tandeloze mond grijnst opnieuw.
Ik voel me goed. Ik hoor een stem in mijn hoofd die zegt: “Goed gedaan, getrouwe man, kom in de feestzaal van je Heer. “

De vakantie loopt ten einde. Nog éénmaal maken mijn vrouw en ik het rondje. Eerst langs het strand, daarna over de boulevard terug. Mijn ogen zoeken de plek waar mijn arme medemens altijd zit. In de verte zie ik wat kleren liggen. Maar hij?
Als door de bliksem getroffen sta ik stil. Wie komt daar aan? Mijn mond valt open van verbazing. Het kan niet waar zijn! Twee benen, met de man daarboven, stappen alsof ze niet anders gewend zijn, over de boulevard. De verbazing staat op mijn gezicht te lezen. Ik ben toch niet gek!
Jawel!
Een grote schaterlach van een Afrikaanse jongen, met zijn hand vol horloges, brengt me terug in de werkelijkheid. “He is okay,” hoor ik hem lachend zeggen.
“Wat?,” roep ik vertwijfeld uit.
“He is normal,” lacht de jongen.

De weg naar ons appartement leg ik zwijgend af.
Hoe het met mijn geweten en de stemmen in mijn hoofd zit, vraagt u?
Ik ga er niet meer zomaar op af. En probeer zoveel mogelijk met twee benen op de grond te blijven staan.

Geef een reactie