Ik verzet me niet

Ik verzet me niet

Er hangt loomte in de lucht. De lang voorspelde regen trekt aan ons voorbij. Misschien ben ik daardoor een beetje geprikkeld. Mijn groentetuintje, ze is niet om aan te zien. Ik kijk naar de voorbij glijdende wolken. Dan begint de telefoon in de kamer te rinkelen. Ik slof naar binnen en kijk op het display. Nummer onbekend.
“Met Douwe.”
“Goedemiddag, u spreekt met ….van Artsen zonder grenzen. Spreek ik met de heer of mevrouw D. Janssen?”
Ineens schiet mij een nieuw woord te binnen. Het wordt te pas en onpas gebruikt. Genderneutraal. Douwe is toch niet echt een meisjesnaam, wel? Ik voel ineens een lichte trilling in mijn buik.
“Hallo”, zeg ik. “Ik ben een beetje doof, ik heb uw naam niet verstaan.”
Opgewekter dan ze misschien is, zegt ze opnieuw haar naam, Denise. En vraagt of het gelegen komt dat ze even belt.
In mijn gedachten zie ik haar zitten.
De ramen van het kantoorgebouw zijn geblindeerd tegen de warmte. Achter de beeldschermen zitten meest vrouwen en hier en daar een jonge man. Gebeld wordt er volop. De gesprekken zijn over het algemeen niet lang. Veel mensen kappen snel af, maar ook dat went, als je dit werk doet. Ze heeft een cursus gehad en daar geleerd altijd vriendelijk te blijven. Dat scoort het meest.
“Nee hoor”, zeg ik, “U stoort me niet. Ik vind het zelfs fijn dat u mij even belt. Weet u, ik ben een oude man en dan gaat de telefoon maar zelden meer. Mensen hebben het allemaal druk met van alles en nog wat en kijken niet meer om naar hun medemens.”
Mijn vrouw kijkt me vanuit haar stoel fronsend aan. Met in haar ogen vraagtekens.
Denise zegt: “Ik wil u bedanken voor de trouwe gift die u al zo lang aan onze organisatie geeft. We zijn daar echt heel blij mee, meneer Janssen. Weet u…”
Ik onderbreek haar en zeg dat ze mij niet hoeft te bedanken. Dat ik het normaal vind, dat als je het zelf goed hebt, je ook iets voor een medemens over moet hebben. Ja toch?
Even blijft het stil. In gedachten zie ik haar op het spiekbriefje kijken. Wat te doen als het gesprek een andere wending neemt.
Ze is er weer.
“Geweldig dat u zo in het leven staat. Als meer mensen waren zoals u, dan…”
“Ik vind het normaal,” onderbreek ik haar opnieuw. “Maar weet u waar ik wel eens moeite mee heb?” Zonder af te wachten of ze daar nieuwsgierig naar is, vervolg ik “Dat er mensen zijn die zich zelf verrijken met giften die anderen geven. Ik heb zelfs wel eens gehoord, dat ze mensen bellen, met de vraag of ze nog niet een beetje meer kunnen geven en dat diegene die belt daar provisie van krijgt. Daar kan ik niet tegen, weet u.”
Denise is het met mij eens. Gelukkig gebeuren die dingen niet in hun organisatie. Ze vraagt me of ik kan zeggen wat we nu doneren. Ik zeg iets over de linkerhand die niet weet wat de rechter doet. Mijn vrouw regelt de giften. Maar met een muisklik kan ze zien dat het tien euro per maand is. Ze zegt: “En daar zijn we blij mee.”
“Dat doet me goed om te horen,” zeg ik, “en ik wil u bedanken dat u me hebt gebeld. Een oude man als ik krijgt niet zo vaak een telefoontje meer.”
Vanuit de verte hoor ik nog zoiets als: “…een bandje van verzet.”
Ergens op een kantoor, met blinden voor de ramen, hoor ik een diepe zucht. Nou…nou.
Mijn vrouw kijkt me met haar bruine ogen liefdevol aan en zegt: “Je bent een ondeugd.” Daarna staat ze op en geeft me spontaan een zoen.
Ik verzet me niet.

Geef een reactie