Ik hoef geen koffie meer

Ik hoef geen koffie meer

We zaten samen in de achterkamer. De al wat op leeftijd gekomen zuster zat tegenover mij. ‘Weet u’, zei ze, ‘ik zit hier graag. Nu ik alleen ben lijkt de voorkamer zo groot, nu mijn man er niet meer is.’

‘Geen wonder, ’zei ik, ‘hoelang zijn jullie niet samen geweest?’ Het bleek meer dan veertig jaar te zijn.
Na de gevallen stilte laat de zuster mij een eindje in haar leven meelopen. Wat er allemaal gebeurd was en hoe de ziekte had toegeslagen. Ik luisterde, veel meer werd er van mij waarschijnlijk ook niet verwacht. Na een paar diepe zuchten, stond zuster Klinkhamer op en zei: ‘Ik vergeet u helemaal koffie aan te bieden.’ Ze liep naar de keuken en terwijl zij de kopjes uit het keukenkastje pakte vroeg ze of ik iets de koffie gebruikte. ’Graag een scheutje melk alstublieft’, zei ik.
Ondertussen nam ik het vertrek in mij op. Aan de wand hingen foto’s van kinderen. Een man op een tractor. In de boekenkast keek ik tegen de rug van schrijvers aan. Enkele kwamen me bekend voor. Mijn moeder las hun boeken. Jos van Manen-Pieters: De tuinfluiter zingt. Mien van Sant. Dubbelroman van Aart Romijn. Het geslacht Alving van Annie Oostenbroek-Dutschen.

Toen de koffie voor mij stond, luisterde ik opnieuw naar haar verhalen. Ze wilde graag vertellen. Begrijpelijk, muren praten over het algemeen niet terug.
Al luisterend werd mijn oog getrokken naar de rode poes, die zich in de keuken lui uitrekte. Dan met een behendige sprong, landde hij op het aanrecht en sloop liniarecta naar het melkpannetje. Snoepte van de melk en keek  mij daarna met bloeddorstige ogen aan. Ik las daarin: ‘Als je mij verraadt, krab ik je in je gezicht.’

De poes sprong weer op de grond en even later vroeg zuster Klinkhamer of ik nog koffie beliefde. Als in een flitst zag ik de bek van de kat boven het melkpannetje. Misschien had ik het me verbeeld, maar had ik achter in zijn bek een muizenstaart zien hangen? Of was het een veer van een dode merel geweest?
‘Dank u’, zei ik, ‘te veel koffie is niet goed, hoorde ik laatst bij Radar.’

Nou, daar tilde de zuster niet zo zwaar aan. Ik moest niet alles geloven wat ze op de televisie zeiden. Ze stond op en pakte resoluut mijn koffiekopje en schommelde naar de keuken. ‘Doe er dan maar geen melk in’, riep ik tegen de achterkant van de bloemetjesjurk. ‘Dat is vragen om problemen’, zei zuster Klinkhamer. ‘Zwarte koffie, dat is slecht voor de maag. Hier alstublieft drink het warm op en neem er nog maar een speculaasje bij.’

Jaren later kruisten onze wegen elkaar. Zij liep achter een rollator. Ik vroeg haar hoe het met haar ging en of de rode poes nog leefde. Had ik niet moeten doen. Ogen schoten vol tranen en ik hoorde hoe ze de poes had laten inslapen. Het had haar heel wat gedaan. Het was zo’n lieve poes geweest. Ik knikte en pakte een zakdoek uit mijn broekzak. Snoot mijn neus als blijk van deelneming en hoorde mijn maag lawaai maken. Oude ogen keken mij trouwhartig aan, toen ze zei: ‘Wat lief dat u naar de poes vroeg. U bent een goede ouderling omdat u nog weet dat ik aan Rode Willem gehecht was. Maar ik heb een nieuw jong poesje uit het asiel gehaald. Dan ben ik niet zo alleen, begrijpt u?’
Ik knikte en zei,’ een jonge poes kun je alles nog leren.’