Het stak rood af tegen het witte kozijn.

Het stak rood af tegen het witte kozijn.

Sommige tijdschriften of programma’s laten je delen in de rijkdom van het geloof. In de verhalen of teksten lees of hoor je hoe personen kracht putten uit hun geloof en hun relatie met God. Mooi is dat. Ze voeden hun geloof o.a. door zondagse samenkomsten.
Maar ook op het kerkelijk erf is er reuring. Sommige kerken lopen leeg. Ouderen voelen zich niet begrepen. Jongeren, ook belijdende leden verlaten zonder gemor de kerk. Er wordt niet met deuren gesmeten. Ze verdwijnen en leven hun leven. En het gaat hen zo te zien goed. Maar er worden ook nieuwe kerken gesticht. Mensen zingen er met opgeheven handen. Vol van de Geest. Ik probeer het te duiden. Moet ik ook meer bidden? Meer Bijbellezen? Stille momenten inbouwen in mijn leven?

Midden in al dat gebeuren en in een wereld die op zijn kop lijkt te staan, leef ik en probeer ik mijn geloof vast te houden. Maar veel zekerheden, vaste gewoonten of stellingen van vroeger, glippen me gewoon door mijn vingers. Het voelt aan als droog zand. Hoe harder ik knijp, hoe minder ik vasthoud.
Deskundigen zullen veel kunnen verklaren. De tijd. De secularisatie. De welvaart. We begrijpen en weten veel meer dan vorige generaties. Hierin probeer ik mijn weg te vinden. Me aansluiten bij een groep van gelijk denkende helpt me niet. Vragen niet stellen, geeft me geen bevrediging. Maar hoe meer ik lees hoe meer vragen er komen.

Mijn gedachten gaan terug naar een vrouw die ik hoog acht. Ik ken haar al jaren. Iemand die er voor anderen wilde zijn. Aan mensen het gevoel geven dat de boog niet altijd gespannen kan staan. Dat er een tijd moet zijn van ontspannen. Ik heb me afgevraagd of het haar karakter is, of het een innerlijke drive is die haar drijft. Ik wil het haar, als er de gelegenheid voor is, vragen.
Ineens was daar in haar leven een geweldige storm opgestoken. De hemel was gitzwart gekleurd. De dokter, van nature een optimistisch mens, zag het donker in. Maar aan hem zou het niet liggen.
De avond voor de operatie lag ze alleen op haar kamer. Alleen met haar gedachten, alle voors en tegens afwegend. De woorden van haar predikant overdenkend.
Toen werd haar oog getrokken naar de vensterbank. Tegen het wit stak het rood helder af. Een lieveheersbeestje. En dat in die tijd van het jaar. Ze vertaalde het als een bemoediging van Boven. Het gaf haar rust en vertrouwen. Ze was niet alleen.

Een teken van Boven? Hoeveel mensen kijken er naar uit. Soms, als mensen getuigen, komen vraagtekens bij mij naar boven. Werkt God zo? Maar bij haar had ik dat niet. Een bemoediging in de vorm van een lieveheersbeestje? Is het omdat het zo gewoon, klein, was. Gewoon een lieveheersbeestje. Kun je daar iets van God uit ervaren?
Mag ik eruit leren en er oog voor krijgen dat God niet persé werkt in het groot. Het massale.
Maar dat je zo maar iets van Hem merkt, in de natuur, in de rust. In een woord uit de Bijbel.
Kom maar, mijn juk is zacht en mijn last is licht.