Hai

Hai

Onze dochter wordt vijftig. Dat gaan we vieren.
Gewoon toch, denkt u. Ja, misschien voor anderen wel, maar voor onze dochter niet. Een trauma opgelopen in haar jeugd zou de oorzaak kunnen zijn.

We gaan terug naar de maand november.
De dagen zijn kort. De lucht bewolkt. Dat voelt slecht voor een man als ik. Somberheid kan zich zomaar van mij meester maken. Het lijkt alsof de klanten, die onze zaak bezoeken, er ook last van hebben. Net alsof ze ook veeleisende worden. Maar gelukkig komt het weekend snel naderbij.
Vrijdag alweer.
Iets na negenen sluit ik de zaak. Naar huis.

De kamer zit vol met jonge vijftien-/zestienjarigen. Mijn dochter viert haar verjaardag.
In mijn gemakkelijke stoel ligt een slungel met zijn ene been op de tafel. Hij draagt een bril, zonder glas erin. Met in zijn hand een flesje bier. Mij opgewekter voordoen dan ik ben, begroet ik het gezel -schap. De slungel in mijn stoel steekt achteloos zijn hand op en mompelt : ”hai.”
Anderen tetteren gewoon door. Even later schuif ik het bijzettafeltje aan, ga daar op zitten,  en probeer een gesprekje aan te knopen. Over school en zo. Maar we zijn snel uitgepraat.
Dan nemen mijn vrouw en ik plaats aan de keukentafel. Ik merk dat mijn vrouw mij opneemt. Waarschijnlijk staat mijn gezicht op onweer. Tussen de kolommen door in de krant, het lijkt alsof de letters kleiner zijn dan anders, doemt mijn gemakkelijke stoel op, met daarin: hai!
Tegen halftwaalf loop ik weer de kamer binnen. Het lawaai is toegenomen. Ik vraag aan de jongen met licht dons onder zijn neus, wanneer hij de volgende dag opstaat. Ik hoor iets van: “ik zie wel wanneer ik wakker word.” Na even om stilte te hebben  geroepen, deel ik de aanwezigen mee, dat mijn vrouw en ik hogere sferen gaan opzoeken. Met hierbij de vraag, of het gezelschap rekening wil houden, dat wij boven de kamer slapen. Dus als het mogelijk is…?
Ik zal u de rest kort schetsen.
De wekker loopt ineens heel traag. Doet een uur over een kwartier. Zo voelt het. Nooit heb ik me zo vaak omgedraaid. Links, rechts, links… het lijkt wel ochtendgymnastiek. Tegen halftwee heb ik zoveel kramp in mijn tenen, dat ik naast mijn bed sta. Voordat mijn vrouw me kan tegen houden, storm ik de trap af. Verwilderd sta ik in de kamer. Mijn haar rechtop en in de war.
Een onweersslag had de stilte niet sneller kunnen doen ontstaan.  Dan:  “Volgens mij is het mooi geweest.”
Was het mijn stem, mijn verschijning: een man in pyjama en onderbroek, ik weet het niet. Maar binnen een kwartier was het stil.
Ook de dag erna, die onderbroken werd door de opmerking van mijn dochter: “Reken er maar niet op, dat ik ooit van mijn leven weer mijn verjaardag vier.”