Ga jij wel eens naar de kerk?

Ga jij wel eens naar de kerk?

We zitten in de schaduw van de boom. Ieder met een pilsje in de hand.
Het is meer dan dertig graden op de camping.
We hebben verschillende dingen gemeen. Vissen vinden we beiden leuk en zo zitten we vaak ‘broederlijk’ aan de waterkant. We hebben elkaar in de loop van de tijd een beetje leren kennen. Ik soms een beetje de pias uithangend en hij, wel genietend, maar nooit uitbundig. Toch groeit er iets van genegenheid voor elkaar. Soms hoor ik door een uitdrukking van hem dat hij Bijbelkennis bezit. Maar ook rolt er wel eens een potver… woord over het water. Gevolgd door, sorry.
“Nee, ik ga al jaren niet meer. Al die ruzies in de kerken. En als je het ergens niet meer eens bent, sticht je weer een nieuwe kerk. Als ze weer samen een zijn, ga ik wel weer.”
Mijn slok bier zakt langzaam naar beneden.
“Hoe was jouw jeugd?” vraag ik. “Was het streng?”
“Mijn vader las bij elke maaltijd uit de Bijbel. Met dezelfde stem en emoties als het over oorlogen ging of uit het boek Hooglied. Verder met vaststaande gebeden en geboden. Fietsen op zondag was not done. Nooit heeft iemand mij kunnen uitleggen wat daar verkeerd aan was. Net zoals een kaartje leggen.
Ik ben redelijk jong getrouwd, en was gelukkig. Na vijftien jaar werd ik geconfronteerd met het plotseling verlies van mijn vrouw. Je weet niet wat je overkomt man. Het stuurloos ronddrijven op de golven van je emoties.”
Ik kijk hem aan. Probeer iets op zijn gezicht af te lezen. Voelt hij het?
Hij staat op en loopt bij mij vandaan. Ik probeer mijn gedachten ondertussen te ordenen. Ik moet hem toch van weerwoord voorzien. Iets over God zeggen en dat het toch beter is om, en…
Hij komt terug met een pilsje en een paar stukjes kaas. Ik stop het blokje kaas in mijn mond en probeer de eerste zinnen te formuleren. Maar hij begint opnieuw te vertellen. De impact van het gebeuren op zijn gezin. Hoe na een jaar hij stukje bij beetje alles weer op de rails kreeg. Na de stilte die er volgt hoor ik hem dan zeggen: “Gek man, ik denk dat het wel 25 jaar geleden is, dat ik zo open met iemand heb gepraat.”

Die avond. De zon gaat rood onder. Mensen zitten nog buiten voor hun caravan of tent. Het donker is bezig zich tussen de mensen te nestelen. Tegenover mij gloeit ergens een rood puntje. Iemand zit te roken. Een leven, vertelt in een notendop, trekt zich aan mij voorbij.
Ik blijf me bezig houden met de vraag, wat ten diepste de oorzaak is van het afhaken van mensen van de kerk. Is het niet op zondag mogen fietsen? De verdeeldheid van kerken? De ellende die hen treft?
Of zou het kunnen zijn dat kerkmensen niet de blijheid van hun geloof hebben leren uitstralen op een natuurlijke wijze? Gevangen als ze vaak waren in vaste regels en patronen. Al of niet onderbouwd met Bijbelteksten.

Het late journaal laat mij weten dat het weer goed blijft.
Wie weet misschien komt er een vervolg aan ons gesprek.