Snel weer terug naar de homepagina: Klik!  Columns van het jaar 2016
Over Douwe Columns Boeken Douwe vertelt En verder... Contact

                            

Veel plezier bij het lezen.
Wilt u één van deze columns gebruiken, stuur dan een mail naar douwe@douwejanssen.nl

 

 

 

     

Douwe Janssen verteld in zijn column

Ik vertel u het graag.

 

Henk
 

Het is volop zomer.
De kalenderzomermaanden zijn niet super zonnig geweest. Het lijkt erop, dat de natuur zich toch nog even van zijn beste kant wil laten zien. Je ziet mensen luchtig gekleed, sommigen met een ijsje in de hand, door de stad lopen.
Voor de supermarkt zitten een paar mannen en een jonge vrouw op een bankje. Naast zich en in hun handen een blikje bier. In een plastic zak wat persoonlijke spullen. .
In mijn hoofd komt de vraag op: wie zijn het en waarom zitten ze hier? Wat is hun achtergrond?
Misschien dat mijn blik zich net even te lang aan het gezelschap vasthaakt. Een van hen komt naar mij toe. Hij wijst op een litteken aan zijn voorhoofd en vraagt: ‘Hoe ziet het eruit?’
Met een blik, die een arts niet zou misstaan, kijk ik naar de hechtingen in zijn wenkbrauw. ‘Ziet er goed uit,’ zeg ik dan. ‘Maar hoe heb je dit opgelopen?’
Ik word meegenomen in het gebeuren. Een medestraatbewoner meende dat hij zich zijn blikje bier mocht toe-eigenen. Met als gevolg een gevecht. ‘Ik laat me niet kullen’, snap je. Ze moeten met hun poten van mijn spullen afblijven.’ Dan: ‘Ga je boodschappen doen? Neem voor mij dan even een blikje bier mee.’
Even later sta ik met mijn pak yoghurt en een blikje Dortmunderbier bij de kassa. Ik vertel aan de juffrouw dat het bier voor een van de mannen buiten is en de yoghurt voor mijzelf.
Het bier wordt in dank aanvaard en ik voeg er de waarschuwing aan toe: ‘Niet te veel drinken, hoor. Daar komt narigheid van.’ De man knikt instemmend. Terwijl de eerste slok zich een weg naar beneden zoekt, vraag ik: ‘Hoe komt het dat jij op straat leeft?’
Het blijkt een heel verhaal te zijn. Henk had vroeger verkering gehad en zijn meisje was zwanger geworden. Dat gaf een hoop trammelant thuis. En van het een kwam het ander. Maar ik heb nu een intake gesprek gehad voor opname. Bij de Hoop. Ze zijn daar christelijk en zingen liedjes, maar dat vind ik wel mooi.
‘Heb jij zelf ook een christelijke achtergrond?’ vraag ik hem. ‘Ja, dat kun je wel zeggen. Ik weet niet of je er ooit van gehoord hebt, maar ik was vrijgemaakt. Een raar volkje. Mijn ouders zijn gescheiden. Mijn vader ging wel eens naar de hoeren, vandaar.’
‘Henk, zal ik je iets vertellen. Ik ken de vrijgemaakten. Ik ben het zelf ook.’
Henk neemt een grote slok bier. Dit moet even bij hem zakken. Hij kijkt me aan en schudt dan met zijn hoofd. Ik druk hem de hand en zeg: ‘Ik hoop voor jou dat het weer goed komt. En Gods zegen toegewenst.’
Als ik even later voor het rode stoplicht sta, gaat het door mij heen: waarom zeg ik: Gods zegen. Was het niet beter geweest om te zeggen: ga mee naar huis. Wij hebben boven wel een slaapkamer vrij. Daar kun zolang gebruik van maken, tot je wordt opgenomen.
Ik denk dat God veel zegen geeft. Maar hoe doet Hij dit? Door bijzondere dingen of gewoon door menselijk handelen heen?
Ik ben er niet uit.
Douwe Janssen

 

 




 

 

Mijn ‘kleine’ wereld

In de zomer trekken we er graag op uit. Dingen waar ik druk mee ben, vallen stil. We zoeken via internet kleine campings uit, die we willen bezoeken. Onze eisen zijn niet groot. Graag viswater vlakbij en een mooie omgeving om te fietsen. We nemen genoegen met een minder luxe wasgelegenheid dan dat we thuis gewend zijn. Onze eigen vertrouwde buren ruilen we in voor tijdelijke. Het klikt meestal, maar soms niet. De ene keer is het uitzicht een caravan. Een andere keer kijk je uit over het open veld.
Je ziet in het weiland schapen grazen. Er zijn er met een groene streep over hun rug. Andere zien er gewoon wollig uit. In het land ernaast grazen koeien. Hun tongen schuren de grassprieten af en slikken ze smakkend door. Om ze later, rustig liggend en herkauwend nog eens te proeven. In de verte steekt een kerktoren net boven de bosrand uit. Mijn vrouw zit in een tijdschrift te bladeren. Ik probeer woorden aan mijn gedachten te geven.
Wat is de charme van dit bestaan?
Zou het kunnen zijn dat de wereld meer overzichtelijk wordt? Je hebt geen TV. De krant downloaden lukt de ene keer wel, een andermaal niet. Toch heb je niet het gevoel dat je iets mist.
Irak en Syrië zijn ineens buiten je gezichtsveld geraakt. IS heeft zich teruggetrokken in belegerde steden. Mensen, die in kranten of tijdschriften hun mening opdringen, zijn buiten beeld geraakt.
Je wereld is niet groter dan de fietsroute die je hebt uitgezocht. Of het plekje in de onderwal, waar je stoel net tussen het riet past, dat zachtjes met de wind meedeint. Je hoeft alleen maar goed op je dobber te letten, want die is je soms te snel af.
‘s Zondags bezoek je een plaatselijke kerk. Je ontdekt dat elke gemeente haar eigen uitstraling heeft.
Mijn visbuurman vertelt me dat hij bezoek krijgt van zijn zwager. Hij is ernstig ziek. Alvleesklierkanker met uitzaaiingen.
Als ze samen aan de waterkant zitten, neem ik de man voorzichtig op. Hij krijgt letterlijk een gezicht voor mij. Zijn haar is ‘modern’ gekapt: hij is glad geschoren. Van een paar meter afstand is er niets aan hem te zien. Wat een gek idee. Weten dat iemand de dood al in de ogen kijkt. Hoe gaat hij daar mee om?
Heeft hij gejankt, gebeden? Gevloekt misschien?
Waarom moet iemand van vierenvijftig zo jong sterven?
Mijn knusse kleine wereld stort ineens in.
Met een smak tuimel ik de werkelijkheid weer binnen.
Vluchten kan niet.
Verstoppen lukt me niet.
Je moet, of je wilt of niet, het leven onder ogen zien.
En God?
In de Bijbel staat, dat hij een nieuwe wereld zal scheppen. Hij heeft het beloofd.
De dood zal er niet meer zijn. Van ziekte heeft men geen weet.
Maar wat kan ‘wachten’ lang duren.
Douwe Janssen
 

 

 

De inbreker


Met een enorme knal schoot de deur onze slaapkamer in. Vanuit mijn ooghoeken zag ik een been in spijkerbroek. En een blauwe gymschoen met een witte zool.
Mijn reactie was ongekend. Met een ‘oerschreeuw’ schoot ik het bed uit en woorden die ik sinds mijn diensttijd nooit meer heb gebruikt, rolden door de slaapkamer via de deuropening naar buiten. Het was niet alleen de inbreker die schrok, maar ook onze buurvrouw. Ze was door mijn oerschreeuw zo geschrokken, dat ze naar buiten rende. Bleek van schrik vroeg ze : ‘Is er iemand vermoord?’
De rest laat zich raden. Politie kwam langs. Rapport werd opgemaakt. Nog dezelfde dag een paar mensen van het Forensisch Instituut. De schoenafdruk op het glas van de deur was zo veilig gesteld. We zouden op de hoogte worden gehouden.
Twee dagen later vertrokken we met de caravan. Even afstand nemen en van de schrik bekomen.
’t Was al avond en ik zat aan het kanaal, waar onze camping aan lag, te vissen. De telefoon.
‘Wat zegt u…, slachtoffer wat..?’
‘Nee, ik heb geen interesse. Wij geven al voor zoveel goede doelen.’
‘U hebt toch een inbraak gehad? ‘
‘O ja, dat is waar ook, … sorry, ik heb net beet.’
Toen ik de telefoon dichtklapte, ving ik iets op als … ‘terugbellen.’
Een week later waren we weer thuis. Lekker slapen in eigen bed. Mijn vrouw sliep die nacht onrustig. Ikzelf had voor het slapengaan nog even naar de slaapkamerdeur gekeken. Met in mijn ogen een blik: je houdt het toch wel?
Het was tegen tweeën. Mijn vrouw schudde me wakker.
‘Douwe, ik hoor een vreemd geluid. Net alsof er iemand met een boormachine bezig is.’
Ik schoot overeind en luisterde.
Niets.
‘Hoor daar is het weer’, zei mijn vrouw.
Ik pakte de oude tafelpoot, die ik voor de zekerheid mee naar boven had genomen.
‘Wacht’, zei ik tegen mijn vrouw. ‘Ik ga voorop.’
Ik sloop de slaapkamer uit en keek in de andere kamers. Niets te zien.
Halverwege de trap bleef ik even stilstaan. Mijn hart bonkte luid. Weer luisterde ik en door mijn hoofd schoot ineens een krantenkop:
‘Man van dik zeventig jaar slaat inbreker zonder pardon met tafelpoot dood. Of: ‘… op zijn kop’. Of: ‘inbreker slaat op de vlucht.’
Ik haalde diep adem en smeet de kamerdeur open. Niets te zien. Ook niet in de werkkamer.
Bleef alleen nog de bijkeuken over.
Ik pakte mijn vrouw bij de hand. ‘Niet bang zijn’, fluisterde ik.
Met mijn tafelpoot stevig vastgeklemd, duwde ik de deur open. Sloeg een keer in de lucht en …
telde tot tien en keek mijn vrouw aan.
‘Ik weet zeker dat ik iets hoorde’, zei ze hulpeloos en op hetzelfde moment sloeg de motor van de diepvrieskast aan. Het leek alsof iemand zachtjes met een boormachine bezig was.
Douwe Janssen
 

 



God is goed


Als ambassadeur van ons mooie blad, Elisabethbode, tref je allerlei lezers. Ieder met eigen achtergrond en beleven. Ik bezoek in de vakantietijd verschillende kerken. Vraag dan of ik na de dienst ons blad mag uitdelen.
Ik bewandel daarbij de kerkelijke weg. Aan de welkomst vrouw/man vraag ik de weg naar de kerkenraadskamer. Manmoedig klop ik aan de deur. Ik taxeer snel de vragende gezichten die me aankijken. Daar zijn soms vrouwelijke ambtsdragers onder. Die kijk ik verlegen aan. Dat werkt goed. Een man van in de zeventig die bedremmeld kijkt. Die weiger je zijn verzoek toch niet.
Bij een andere kerk gaat het heel anders. De dominee – een met mensenkennis - proeft niet alleen het verlangen om het blad bekendheid te geven, maar heeft ook weet van ondernemerschap.
Hij kondigt aan het eind van de dienst aan, dat broeder Janssen gratis de Elisabethbode uitdeelt en dat een abonnement maar een schijntje kost.
Soms is er een lichte weerstand die doorbroken moet worden.
Onbekommerd klop ik op de deur. Vijf mannen, in zwarte pakken gestoken, kijken mij vragend aan. De dominee, in toga gehuld, ook. Ik voel me afsteken in mijn witte broek en overhemd. Maar dat draag ik af en toe als voorproefje voor de nieuwe aarde. Witte kleren zullen we dragen. Zo valt in het boek Openbaring te lezen.
Elisabethbode?
Wat is dat?
‘Een pastoraal blad, met de blijde boodschap erin verwoord.’
De dominee zegt niets. Hij is gastpredikant hier. De ouderling, met een buitengezicht, vraagt of hij het blad even mag inzien. Ik overhandig hem het nummer, dat het thema: ‘Natuurlijk Ondernemen’ belicht. Twee boeren geven hun eigen visie weer op hun bedrijfsvoering. Of de cover - een boer met een big op zijn arm - het doet, weet ik niet. Maar de ouderling knikt instemmend.
Het mag. Na de dienst.
De preek gaat over psalm 73.
Ja, toch is God goed.
Hoewel de dichter, Asaf, eerst lijkt te twijfelen, klampt hij zich toch aan Gods beloften vast. Zoals een klein kind, gevallen, onder de schrammen en doornen van de braamstuik, zich door zijn vader laat troosten. (Voorbeeld voor de kinderen.) Asaf zegt: Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij niets op aarde. Of met andere woorden: ‘Als ik U heb, heb ik verder niets nodig en verlang ik niets meer.’
En daar willen wij, mensen van de Elisabethbode, van vertellen. In verhalen, gedichten en columns.
Ja, waarlijk. God is goed.

 


Douwe Janssen

 

 

 

 

 

 

God heb ik lief


De kranten schrijven er over.
In de praatprogramma’s komt het over de tafel.
De NIPT test.
Kinderen met het Syndroom van Down hoeven niet meer geboren te worden.
De meningen zijn verdeeld.
Ik neem u mee naar vroeger.
Het is volop zomer.
Onze kinderen zouden liever naar het zwembad gaan dan naar de kerk.
En ik zelf?

Och, ik ga in de meeste gevallen met plezier naar de kerk. Maar in de zomer, tijdens de vakanties als het echt warm is en je eigen dominee er niet is, dan hebben we vaak voorgangers op leeftijd.
Het duurt even voordat ze op gang komen, maar eenmaal op stoom, weten ze niet van ophouden.
Die morgen.
De preek gaat over Elisa in de stad Dotan. De stad is omsingeld door een vijandig leger. Maar Elisa ziet dingen, die de andere mensen niet zien. Vurige paarden en wagens.
De geschiedenis is me bekend.
Een van mijn kinderen naast mij zucht en zit aan haar nagels te peuteren.
Het is warm.
Mijn blik dwaalt de kerk door.
Voor, op de stoelen, zit een aantal gasten.
‘Koningskinderen’, worden ze genoemd.
Zouden die iets van de preek begrijpen, vraag ik me af.
Er zijn er die met hun hoofd wiegen en anderen steken af en toe een arm de lucht in.
Dan zie ik een jongen een pet onder zijn trui vandaan halen. Hij zet hem even op zijn hoofd en stopt hem dan weer weg.
Ineens is daar het amen.
We zingen nog een lied en na de zegen komt de dominee uit de houten broek. Beneden staat de ouderling van dienst hem op te wachten. Hij wil de hand van de dominee schudden, maar wordt bijna aan de kant gedrukt door een van onze gasten.
Met een diepe buiging grijpt hij de hand van de predikant. Die lacht hem vriendelijk toe en drukt de hem toegestoken hand.
De jongen staat met zijn pet in de hand voor in de kerk. Laat de diakenen aan hem voorbij lopen, die in ganzenpas de kerk verlaten. Dan zet hij zijn pet weer op.
Steekt een paar vingers in zijn mond en begint te fluiten.
Mensen, die de kerk willen verlaten, blijven staan.
Wat krijgen we nou?
Door de kerk klinkt de melodie van: God heb ik lief, want die getrouwe Heer –
De organist boven hoort het, en begint zachtjes mee te spelen.
Aangekomen bij de woorden: ‘de eenvoudigen wil God steeds gadeslaan-‘ krijg ik kippenvel.
Het geroezemoes in de kerk verstomt.
Opnieuw kijk ik naar de jongen voor in de kerk. Zijn voorhoofd glimt van het zweet. Zijn pet staat scheef.
Voelt hij dat de mensen luisteren?
Nog een keer gaat hij ervoor.
‘Ik zal met vreugd in ‘t huis des Heren gaan, om daar met lof Uw grote naam te danken.’
Als de laatste tonen de weg naar boven hebben gevonden, en het orgel stil valt, buigt onze gast diep. Neemt daarbij zwierig zijn pet af en buigt opnieuw.
Steekt twee vingers in zijn mond en laat een schelle fluit horen.
Als groet naar Boven.


Douwe Janssen

 

Incognito?


Vanuit de caravan zag ik hoe onze nieuwe buren op de camping zich aan het inrichten waren. Ze zouden zich straks wel even aan ons voorstellen, dacht ik. Vanaf de bank keken we naar hun verrichtingen. Je kon wel zien dat het niet hun dagelijks werk was een voortent op te zetten. Maar alle begin is moeilijk.
De volgende dag, zondag, bleef hun caravan onbemand. Wij bezochten die dag de plaatselijke CG kerk. Een oude broeder vertelde ons het een en ander over de gemeente. Ja, het kerkbezoek liep achteruit. Ook bij hen. Ik las weemoed in zijn oude ogen.
Wie schetste de andere dag mijn verbazing. Ik zag de oude broeder bij onze nieuwe buren. De buurvrouw bleek zijn dochter te zijn. Terwijl mijn ogen het gebeuren registreerden, gingen mijn gedachten. Waarschijnlijk ging zijn dochter ook niet meer naar de samenkomst. Anders had ik haar die zondag wel gezien.
De andere dag maakten we even een praatje met de buren. Ja, de omgeving is mooi. Zeker ook om te fietsen. Ze kenden het, want haar wieg stond hier. Nee, ik werkte niet meer. Vervelen? Nee hoor, ik schrijf, voor verschillende bladen. Toevallig heb ik iets in de caravan liggen. Wacht, ik pak het even. Alstublieft, De Elisabethbode.
Mijn buurvrouw nam het blad aan en bladerde er even in. Haar man reageerde niet. Mijn gedachten gingen. Of hij had nooit van het blad gehoord, of hij wilde niets met het geloof te maken hebben. Wie weet, dacht ik, misschien teleurgesteld in de kerk of in kerkmensen, of in de dominee. Ik ken er ook van wie ik soms denk: je zegt het goed, maar leef je er zelf wel naar?
Het contact met onze buren bleef oppervlakkig. Wij spraken elkaar aan als buurman en buurvrouw. Hem kwam ik ’s morgens tegen in het toiletgebouw. Terwijl hij zijn tanden poetste, zag ik enkele moedervlekken in zijn hals. Ik vertelde hem, wat wij de vorige dag gedaan hadden en hoeveel vissen ik had gevangen. Ik vroeg hem waar hij woonde. Het bleek in het midden van Nederland te zijn. Ik vroeg hem niet naar zijn werk, maar volgens mij werkte hij niet met zijn handen. Waarschijnlijk een ambtenaar. Hij was vriendelijk en correct. Nee, over de Elisabethbode sprak ik niet. Als je zaait moet je niet gelijk in de grond zitten te woelen om te zien of er iets ontkiemt. Terloops zei ik, dat we aanstaande zondag naar de kerk gingen voor in het dorp.
Ik was namelijk van plan om daar een stapeltje Elisabeth´s neer te leggen. Echter, die kerk bleek die dag niet open te zijn. Nu, dan maar naar die van de vorige keer. Bij binnenkomst vroeg ik aan de contactdame, of dezelfde predikant als op de vorige zondag. Nee, het bleek een gastpredikant te zijn.
Na vijf minuten kwam de kerkenraad, in het zwart, binnen. Als laatste de predikant. Ik kon mijn ogen niet geloven. Mijn buurman!!!! Boven de kraag van zijn witte overhemd zag ik een moedervlek. Zijn zwarte pak keek me donker aan. Zo anders dan zijn korte broek.
In de preek werd de gemeente opgeroepen om hun eerste liefde niet te verzaken. Naar aanleiding van de brief aan Efeze in Openbaring 2.
Na de dienst schudde ik mijn ‘buurman ‘de hand en zei: ‘Voor mij was dit een verrassing.’

Douwe Janssen
 

 




Toeval?

Het gevaar bestaat, dat als je niet naar je eigen kerk gaat, je toeschouwer wordt. Je kijkt om je heen en ziet mensen binnenkomen. Sommigen groeten hun medekerkbezoekers, anderen schuiven zonder op of om te kijken in de bank. Voor ons neemt een oude broeder plaats. Hij wil niets van de preek missen en heeft zijn versterker achter zijn oor geklemd.
Ik vraag hem hoe groot deze gemeente is en welke predikant voorgaat. Mijn vragen worden uitgebreid beantwoord. Hij is wel in voor een praatje. Is zelf jarenlang lid van de kerkenraad geweest, vertelt hij mij. Dan wijst hij naar een vrouw. Dat is de vrouw van de dominee. Ze is nog jong.
Zo ook de predikant. Een beetje modern, zegt de oude broeder, aan mij overlatend daar een beeld bij te hebben. De dominee is zich waarschijnlijk bewust, dat hoe langer de preek duurt, hoe minder de mensen er van meenemen. Dus na een uur staan we weer buiten en zoeken we onze caravan op. Het was een goede dienst.
De andere dag zie ik dat onze campingburen bezoek krijgen. Is het onze oude broeder uit de kerk of zijn tweelingbroer? Nee, hij is het zelf. We nemen elkaar van een afstandje op en ja even later schudden we elkaar de hand.
Dat is ook toevallig!
Na even over en weer gepraat te hebben, zeg ik: ‘Nu ik u toch zie, zal ik u even mijn ‘lijfblad‘ meegeven. De Elisabethbode. Kent u die? Hier zijn verhaal.
Zijn vrouw las hem altijd en zei wel eens: ‘Marten, dat stukje moet jij ook eens lezen. Maar gek, ik deed het nooit. Nu is mijn vrouw zes jaar geleden overleden en weet u wat, ik lees hem elke keer helemaal. En als ik hem uit heb, geef ik hem weer door aan een ander. Het is een mooi blad meneer.’
Ik zeg, vertel mij wat. Ik zal het nog sterker zeggen. Ik mag eraan meewerken dat het blad elke keer weer uitkomt. U begrijpt, gespreksstof ligt zo voor het oprapen. De veranderingen in de maatschappij en de kerk. Ik had al van hem gehoord dat hij geen voorstander was van alle vernieuwingen in hun kerk.
Dus vroeg ik hem, wat hij er van vond dat de dominee een rode das voor had en geen streepjes of zwarte. Raak, hij had de predikant er al een paar maal over aangesproken. Maar je weet hoe dominees zijn. Zijn trouwe ogen keken mij aan en verwachtten een instemmend geknik.
Maar het doel stond voor mij open. Zou het kunnen zijn, vroeg ik, dat het rood verwijst naar bloed? Bloed dat eens uit handen en voeten heeft gevloeid. En daar vertellen we vaak van in de Elisabethbode, zei ik.
Het bleef even stil.
Toen zei hij: ‘Zo heb ik het nooit bekeken.
Het is toch wel toevallig, dat we elkaar hier ontmoeten.’

Douwe Janssen

 

 

 

Olde dag


Oe schrieven nog steeds verhoalen he.
Ondanks dat ze al jaren in de stad woont, blijft ze regelmatig haar moerstaal gebruiken. Te meer als de omgeving vertrouwd voelt. We kennen elkaar al jaren. Af en toe kruisen onze wegen elkaar en kletsen we even bij.
Nu zit ik bij haar in de woonkamer. Opnieuw halen we enkele herinneringen op en zegt ze: ‘Wist je dat mien moe ook gedichten schreven heb?’ Ze loopt naar de boekenkast en haalt er een map uit. ‘Neem hem maar met, kun je hem thuis wel lezen.’
Al lezend en bladerend krijg ik een beeld van een vrouw die in de 20e eeuw leefde. Een wereld die ook bij mij herinneringen oproept. Ze had een groot gezin. Haar man was jong overleden. Zij zelf is ook niet oud geworden, tweeënzeventig jaar maar. Ze is na een kort ziekbed overleden.
Aan veel zaken en gebeurtenissen heeft ze woorden gegeven. Vaak in de vorm van gedichten. Dit voor haar kinderen en kleinkinderen. Nee, ze zijn niet in boekvorm verschenen, maar verzameld in een multomap met als titel: ‘Uitzicht.’
De gedichten gaan over Kerst, Pasen, Oud en Nieuw. Over vroeger of over Bijbelse gebeurtenissen.
Een van haar kinderen heeft ze allemaal netjes uitgetypt.
Eén is er nog in het originele handschrift. Het is een verzoek aan de Raad van Arbeid. Op dichterlijke toon, verzoekt ze de dame of heer, zo spoedig mogelijk, de kinderbijslag over te maken.
Want m’n dochter wil een windjack.
En mien zoon een nieuwe broek.


Dan wordt mijn blik getrokken door een klein gedichtje.
Geschreven in haar eigen taal.
Zonder opsmuk, recht uit haar hart
Want, als mensen heel dicht bij zichzelf willen blijven, dan lukt dat niet in beschaafd Nederlands.
Had ze haar eigen moeder voor ogen?
Blikte ze in de toekomst?
Wie zal het zeggen.
Maar het gedichtje spreekt voor zich.


Olde Dag
Op e’neumen op haar olde dag
Dan brèk er wat, ofstaand doen van de dingen
waor as ze an e’hecht was, en die ze mist
Witte zusterties in een steriele omgeving,
die heur as een kiend helpen mut.


Wij mist heur strompelende gang, van alle dag
Ook de meeuwen die nog um et balkon vliegt
en vochten um de korsies
Mist heur, kunt heur niet volgen


Ik weet niet hoe het er in de hemel uitziet.
Wel staat er in de Bijbel iets over de nieuwe aarde.
Als ik dan een vrouw zie staan, op het balkon met een korst brood in haar hand,
en de meeuwen zie duiken, zal ik zeggen:
‘Ik ken u.’


Douwe Janssen

 

 

Geloof vinden


De toren van de kerk kun je vanuit de verte al zien. Geen wonder, want met zijn veertig meter hoog steekt hij boven de bomenrand uit.
Jarenlang, wat zeg ik, eeuwenlang heeft hij zijn spits naar Boven gericht gehouden.
Een brand heeft ooit de kerk vernield. Maar de toren bleef overeind.
Er werden weer muren naast gebouwd en zo werd er weer ruimte geschapen om samen te komen.
Voorin de kerk, is de graftombe te zien van Menno van Coehoorn, in zijn tijd een beroemd veldheer. Op de tombe staat geschreven: Ter gedachtenisse van den hoogadelen, dapperen, vroomen, gelukkigen en manhaften Veldheere.
Nog steeds komen mensen samen om in de kerk te luisteren naar woorden van leven.
Op een groot bord aan een wand van de kerk staan de namen van de predikanten, die aan de gemeente verbonden waren. De eerste stond er in het jaar 1597. Meer dan vijftig predikanten zijn hem daarna gevolgd.
Als wij de dienst bezoeken, bekijk ik de inrichting van de kerk.
De preekstoel is prominent aanwezig. Recht tegenover enkele familiebanken. Met boven zich een koepel van hout. Of zoals beschreven staat in de folder: ‘de bank heeft een overhuiving die rust op Ionische en Korinthische zuilen. ’ In de bank staan de volgende woorden gegrift: ‘Salich Sin Si Die Godts Woort Hooren En Dat Bewaeren.’ Lukas 11 vers 28
In deze kerk werden huwelijken ingezegend. Kinderen zijn er gedoopt. Afscheidsdiensten gehouden. Mensen zijn ter aarde besteld op het kerkhof achter de kerk. Door de eeuwen heen heeft Gods Woord hier geklonken. De gemeente heeft zich eraan opgetrokken. Hun emotie uitgezongen in de psalmen.
Nu wordt de dienst bezocht, door merendeels oude mensen.
Jongeren zijn zeldzaam geworden.
Het houdt mij bezig. Wat is er de oorzaak van?
Heeft de kerk geen boodschap meer?
Geen woord meer voor mensen onderweg?
Hebben we het ‘Bewaeren’ te letterlijk opgevat?
Zijn we op de boodschap gaan zitten, zonder het uit te dragen?
Ik weet het niet.
Wel moest ik ineens aan een andere tekst uit Lukas denken.
‘Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?’ (Luc. 18, 8)
 

Douwe Janssen
 

 


 


Met gesloten ogen


De zon gooide zijn laatste stralen over de zee. Ze kleurden de toppen van de golven rood. Nog even, dan zou de zon in het water verdrinken.
Zoiets moois moest je kunnen vasthouden. Meenemen naar de dagen en momenten die minder prettig zijn. Waar de zee, het leven, zich van een heel andere kant laat zien. Waar wind en regen of hagelbuien het strand geselen en jij je jas stevig om je heen trekt. Brr…
Nu, zegt de predikant, zo zag het leven van David er een poos uit.
Hier, lees het maar in Psalm 131.
David, opgejaagd, door Saul.
Later koning geworden, maar zijn pad ging niet over rozen.
Absalon, zijn eigen zoon, had naar de macht gegrepen. Zijn kinderen hadden ruzie met elkaar gemaakt. Vrienden hadden hem in de steek gelaten. En dan die zwarte bladzijde in zijn leven. Bathseba, de dood van hun kind. De wroeging, de dood van een van zijn trouwe onderdanen; het was niet meer terug te draaien. Hier moest hij zijn leven mee door.
En toch, in psalm 131 zegt David; ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Hoe deed hij dat?
Hoe vond hij de weg?
De ogen van de predikant dwalen de gemeente door.
Als geen ander weet hij wat sommige hoorders hebben meegemaakt.
Er zijn er, waar hij dingen mee mocht delen.
Gebeurtenissen, die niet meer ongedaan te maken zijn.
Mensen die het verleden op hun schouders meedragen.
Hij ziet ze zitten.
Ze ogen rustig. Het lijkt alsof ze alles onder controle hebben, maar van binnen gaat het te keer.
Zoals de zee, als windkracht zes de golven opjaagt, en rust ver te zoeken is.
Waar vinden ze rust?
Echte rust.
Dan blijven de ogen van de predikant zich vasthaken aan het gezicht van een oude broeder. Hij had het leven geproefd in alle facetten. Kwam het door de woorden, door de rust, och wie zal het zeggen. Maar de oude broeder sloot de ogen en met licht geopende mond liet hij de woorden over zich heen gaan. Hij had het geleerd. Een leven in vertrouwen, en met gesloten ogen wilde hij zo wel het beloofde land intrekken. Het orgel verstoorde echter zijn wens.
Nog even geduld.
God weet hoelang.

Douwe Janssen
 

 

Jezus
Ik ben geboren in een klein dorpje. Ongeveer twintig huizen, en ieder kende iedereen. Ons hele dorp ging zondags naar de kerk. En als je ’s avonds een rondje liep, klonk uit menig huis orgelmuziek.
Moeders breiwerk bleef in het mandje boven op de nog ongestopte sokken liggen. Soms deden we een spelletje en af en toe, als vader niet te moe was, las hij ons voor.
Mijn vader had een mooie voorleesstem. Hij was op een reciteervereniging geweest. Daar deden ze voordrachten en vertellingen.
Het verhaal dat mijn vader las, ging over de oorlog. Hoewel ik in de oorlog geboren ben, kon ik me daar als zesjarige niet veel bij voorstellen.
Kwam het door de stem? De uitdrukking op het gezicht van vader? Hijzelf was in de oorlog tegen de Duitsers in een gevangenkamp terecht gekomen.
Ik weet het niet. Wel dat beelden zich aan mij opdrongen.
Het verhaal ging over de eerste wereldoorlog. Duitsers vochten tegen Fransen. Vanuit loop graven werd er op elkaar geschoten. Je hoorde het knallen van de geweren. Een schreeuw, of vloek, steeg uit een loopgraaf omhoog.
Dan, tegen het vallen van de avond, werd het rustig.
Chaos was te zien.
Soldaten, met afgezakte helmen op hun hoofd, lagen dood op de grond. Enkele meters waren ze de loopgraaf uitgerend, toen kogels van de vijand hen had doen neerstorten.
In de lucht hingen nog sporen van kruitdampen. Ik stapte mee in het verhaal, tussen de doden en gewonden in.
Een jongetje van zes jaar. Tranen prikten achter mijn oogleden. Die versterkt werden bij het vervolg van het verhaal. Daar tussen de doden in klonk een smartelijke kreun.
Twee zwaargewonden soldaten lagen dicht bij elkaar.
Een Duitser en een Fransman.
De oorlog had hen bij elkaar gebracht. Nu lagen ze daar, half bewusteloos, ijlend, met gesloten ogen, naar de opkomende maan te kijken.
Ze verstonden elkaars taal niet. Waren zich misschien niet eens bewust van elkaars nabijheid.
De bibberende stem van de Duitser prevelde… ‘ trinken… Jezus….’
De gesloten ogen van de Fransman gingen een beetje open.
Een veldfles rolde richting Duitser.
Ik zag het. Zag hoe de gewonde soldaat probeerde de fles aan zijn mond te zetten.
Het rochelende geluid was voor mij het teken, dat het te laat was.
Ik weet niet meer hoe het verhaal afgelopen is.
Wel dat ik boven in mijn bed zachtjes heb gehuild.
Mensen, wat doen ze elkaar aan.

Vijfenzestig jaar later.
Ik kijk naar beelden op de TV.
Brussel.
Chaos, kapotte ramen.
Bloed en afgerukte ledematen.
Gegil, komt onze huiskamer binnen.
Mensen rennen voor hun leven.
In de stem van de verslaggever, meen ik iets van het timbre van mijn vader te herkennen.
En Jezus?

Enkele dagen later hoor ik zijn verhaal.
Uitgebeeld in The Passion in Amersfoort.
Lenette van Dongen vertelt het.
Opnieuw krijg ik tranen in mijn ogen.

Douwe Janssen

 

 

Heer ai maak mij uwe wegen.


’t Was een zomerse dag.
De dominee, hij ‘stond’ nog niet zo lang in het dorp, maakte op de fiets een kennismakingsronde. Nam bij ieder adres even de tijd, om zich van de gezinssituatie op de hoogte te stellen. De mensen waren vriendelijk en gastvrij. Overal kreeg hij koffie en een dikke plak koek. Toch had de predikant het gevoel, dat de mensen in dit dorp niet direct het achterste van de tong lieten zien. Op zijn vraag of ze zich thuis voelden onder zijn gehoor, zei men vaak, het is even wennen. Maar ja, zijn voorganger, een oude predikant, had hier meer dat twintig jaar gestaan.
De nieuwe dominee had al meer dan de helft van de gemeenteleden bezocht. Hij wilde ze ontmoeten in hun dagelijkse leven. Zonder zondagse kleding. Zonder zondagsgezicht.
Een oude boer, die hout aan het zagen was, zag de predikant aankomen. Hij had het niet zo op hem begrepen. Te modern. Hij miste de vertrouwde klanken in de preek. De volzinnen, die de gemeente inrolden. De stropdas van de dominee. Ook te weinig diepgang in de preek. Het was allemaal genade wat de klok sloeg. Maar ja, hoe maak je dat een dominee duidelijk. En vooral een jonge dominee, die het leven nog niet had geproefd. Geen weet had van bevindelijkheid. Zo gemakkelijk kwam een mens er niet.
Toen de predikant binnen gehoorafstand gekomen was, begon de boer, op klagende toon al zagend te zingen.
‘Heer ai maak mij uwe wegen.’
Hij zong het in de oude berijming. Op hele noten en zijn zaag nam het tempo van het zingen over. Langzaam, soms bijna haperend, gleed die door de tak van de boom.
‘Door Uw Woord en Geest bekend.’
Voordat de boer bij: ‘Ijv’rig Mij uw wet betrachten‘ was, sprong de dominee van zijn fiets.
Hij knikte de boer vriendelijk toe, en sprak: ‘Mag ik ook even?’
De boer overhandigde de zaag aan de predikant. Die pakte hem beet, en de boer wist niet wat hij hoorde: ‘Hop Marjanneke, stroop in’t kanneke…’
Voordat de boer goed en wel met zijn ogen kon knipperen, rolde de afgezaagde tak op de grond.
Toen de dominee, na nog even gepraat te hebben weer op zijn fiets stapte, keek de oude boer hem na. Een vreemde snuiter, zeker weten. Om over zijn preken maar te zwijgen.


Douwe Janssen
 

Zelf aankleden

‘Wat ga jij straks doen?’, vroeg mijn vrouw die morgen. Zelf ging ze naar beeldhouwen. Sinds een jaar of vijf tovert ze de mooiste dingen uit een klomp steen. Een poes, een vogel, een mannetje met zijn handen onder het hoofd. Echt knap. Maar het is voor mij wel wennen.
Bij visites vroeg men mij: ’wat zijn je hobby’s?’ Ik zei dan: ’Columns schrijven.’
‘Leuk,’ was vaak het antwoord. Of: ‘o ja, ik las er laatste één in de krant.’
Maar nu mijn vrouw beeldhouwt en zij dat vertelt, ben ik uit beeld.
‘Wat knap’, hoor ik dan vaak. ‘Hoe weet je van tevoren wat je gaat maken?’
Als mijn vrouw dan vertelt dat ze vaak met een nieuwe steen een poos in haar handen zit of er haar voet tegenaan duwt, om zo contact met de steen te krijgen, heeft ze het helemaal gemaakt.
Ja, zo kan het gaan in het leven. Nee, niet dat ik klaag. Ieder mens wil graag zo af en toe een beetje aandacht, nietwaar? Dus dat gun ik haar.
‘Ik denk, dat ik vanmorgen maar even de boodschappen ga halen,’ antwoordde ik mijn vrouw. ‘We zijn door de kwark heen en er zijn nog wel een paar andere dingen die aangevuld moeten worden.’
‘Moet ik even een briefje maken?’, vroeg mijn vrouw.
‘Niet nodig, ik zie het wel,’ zei ik.
Even later vertrok mijn vrouw en zwaaide ik haar van achter het raam na.
‘Zo, even nog door de krant bladeren en dan ga ik ook, ’prevelde ik in mezelf.
Toen ging ik op weg naar de Jumbo.
Ik parkeerde de auto en stopte een euro in de parkeerautomaat. Stom, dat je overal voor betalen moet. Legde het bonnetje achter de voorruit en pakte een winkelwagentje. Ineens hoorde ik: ‘Meneer … meneer…’
Ik draaide me om en zag een nog jonge vrouw, -van ongeveer veertig jaar? , mij aanroepen.
‘Misschien een lezer van mijn columns’, ging het door me heen.
Nee dus.
‘Meneer, zei ze en ze lachte vriendelijk, ‘meneer, u hebt uw broekspijp bij uw sok ingestopt.’
Ze wees naar mijn rechterbeen.
‘Is niet waar’, zei ik, ’ mijn vrouw moest vanmorgen vroeg weg en ik heb me zelf aangekleed, vandaar.’
De vrouw knikte begrijpend.
‘Geeft niets hoor meneer, maar ik dacht, ik zeg het toch maar even. Je loopt anders zo voor schut, nietwaar?’
Even later dwaalde ik door de supermarkt. Mijn schouders stonden afgezakt. Wat moest ik ook alweer kopen? Mijn oog viel op het beertje dat gratis bij waspoeder werd weggegeven. Zijn plastic oog keek me begrijpend aan. Ik mompelde: ‘jij kijkt alleen maar zonder iets te zeggen. Een jong schappen vullend meisje, dat langs liep vroeg: ‘Wat zegt u meneer?’
Ik lachte en zei: ‘Ik heb mezelf aangekleed vanmorgen.’
Schouderophalend liep ze door.

Douwe Janssen
 




Flapoor


De straat waar we woonden lag tegen het bos aan. De bewoners pasten prima in die omgeving. Ze hielden van een beetje ruimte om het huis. Een grasveldje en een tuintje achter het huis.
Onze buurman kwam oorspronkelijk van het Groningerland. Een man zonder kapsones. Als vroeger zijn moeder kippensoep wilde maken, moest Henk, zo heet hij, even een kip een kop kleiner maken.
Hij was er best bedreven in. Een klap met de bijl en de kip rende nog even zonder kop rond en liet zich daarna gewillig plukken.
Zijn gezin bestond uit een aantal kinderen, waarvan de meesten jongens waren. Maar ze hadden één dochter. Een lief aanhankelijk meisje. Ze speelde graag met poppen en hield van dieren. Zo hadden ze thuis een poes en sinds kort ook een konijn. Een lief beestje, met lange oren.
Flappie, of Flapoortje, was zijn koosnaampje.
Een van onze kinderen had ook iets met dieren. Maar een konijn wilde ze niet. Het moest een hond zijn.
In het asiel vonden wij een leuk, lief, hondje. Er zat nog een beetje jachtbloed in. Daarom mocht hij niet los in het bos lopen, als mijn dochter hem uitliet. Ook ging ze er mee op cursus, want ze wilde hem opvoeden tot een gehoorzame hond.
Na verloop van een jaar was hij zover. Bobbie, hij wist precies wanneer mijn dochter thuis kwam en stond dan voor de deur te janken van blijdschap.
Die dag, mijn dochter was de hele dag weg en ik had beloofd om op de hond te passen en hem uit te laten. Het ging redelijk. Als ik zei: ‘zit’, bleef hij staan, maar met de riem om kon hij verder geen kant op. In het bos snoof en rook hij dan hier dan weer daar, aan een struik of bij een holletje.
‘Kom op, Bobbie,’ zei ik, ‘niet achter de konijntjes aan.’
Eenmaal weer thuis liet ik hem vrij achter het huis lopen. Een hekje sloot de toegang naar de straat af. ‘Waar is Bobbie?’ vroeg mijn vrouw. ‘Achter het huis,’ zei ik. Hij doet daar geen kip kwaad. Kon ook niet, we hadden geen kippen. Ik had de achterdeur van het huis open laten staan en Bobbie kon zo weer naar binnen lopen. Maar wat gebeurde er. Je geloofde je ogen niet. Na verloop van tijd kwam Bobbie met een konijn in zijn bek de kamer binnen zetten.
Ik riep: ‘wat krijgen we nou?’ en zei tegen de hond: ‘geef.’ Deze keer gehoorzaamde hij en liet hij het konijn op de grond vallen. Daar lag hij, languit. Dood.
‘Hoe komt hij eraan?’ vroeg ik mijn vrouw en hield het dode konijn vast. Mijn vrouw trok bleek weg. ‘O…’ riep ze en nog eens ‘ooo…. Dat is het konijn van ons buurmeisje. Flappie heet hij.’
‘Daar komt vast heibel van,’ zei ik. ‘Zal je de buren eens horen.’
‘Ze zijn er niet,’ zei mijn vrouw. ‘Ze zitten in Loppersum, want daar is iemand jarig.’
Ik sloop met het dode konijn in mijn hand door de tuin van de buren. Zag dat het deurtje van het konijnenhok openstond en legde het dode konijn op het stro in het hok.
Het voelde niet goed, maar trammelant kun je beter voorkomen.
Die avond. De buurman liep via de achterdeur ons huis binnen.
‘Ik heb nou zo iets geks beleefd’, zei hij.
’Vanmorgen, voordat we weggingen, zag ik dat ons konijntje dood in zijn hok lag. Ik dacht bij mijzelf: voordat mijn dochter het ziet, stop ik hem onder de grond en laat het deurtje van het hok open. Dan lijkt het alsof hij ontsnapt is. Maar toen ik vanmiddag terugkwam, lag het konijn weer in het hok.
Snap jij het?’
Ik schudde mijn hoofd en zei: ‘zoiets verzin je toch niet!’

Douwe Janssen

 

 

Met lege handen?

De parkeerplaats bij de aula staat vol met auto’s. In de gang voor de zaal waar het afscheid plaats zal vinden, staan mensen zacht te fluisteren. Sommigen hebben moeite om hun tranen te stoppen. De band met de overledene was sterk. De schok is groot. Nog maar 62 jaar. En dan… voorbij.
-Jarenlang was ze mijn buurvrouw. We konden het goed met elkaar vinden. Later zijn ze verhuisd, maar als we elkaar weer zagen, was het net alsof…
-Ja, de vrouw van mijn collega. Rot voor hem. Zal hem niet meevallen. Thuiskomen en niemand die iets zegt.
-Meer dan tien jaar heb ik met haar gewerkt. We hebben heel wat afgelachen. We konden het goed vinden. We hadden wel een klik. Toen we gestopt zijn met werken, zochten we elkaar af en toe op.
-Ik ken haar nog van vroeger. We gingen samen op stap. Ik weet nog waar we dansten.
-Ze zat bij mij in de klas.
Een stem zegt: ‘Dames en Heren, u kunt naar binnen gaan en uw bloemen op de kist leggen en dan een plaats opzoeken.’
Muziek klinkt zacht door de zaal. Een cantate van Bach. De vloerbedekking dempt het geluid van voetstappen. Een onderdrukte snik zakt zomaar naar beneden.
Als de muziek zwijgt, voelt de stilte zwaar aan.
De echtgenoot stapt naar voren en neemt het woord.
We zijn hier… een stem breekt, herstelt zich, breekt weer… en gaat dan door.
We zijn hier bij elkaar vol verdriet door het overlijden van die kanjer…
Blikken haken zich vast aan de kist voor in de zaal. Menig traan zoekt zich een weg naar beneden.
Herinneringen worden opgehaald. We gaan met de verteller mee naar haar geboortedorp. Zien hoe het schoolmeisje opgroeit tot een jonge vrouw. We zien een jonge man naar haar kijken. Iets doet zijn hart sneller kloppen. Later zien we hem op zijn brommer naar huis jakkeren. Hij heeft verkering. Wat voelt dat groots.
Een zus probeert te verwoorden wat het sterven voor haar betekent. Hoe groot het gemis is en voelt. Ze praat tegen de kist alsof haar zus het nog kan horen. Mensen in de zaal luisteren toe. Een kuchje hier en daar geeft blijk van ontroering.
Opnieuw neemt de echtgenoot ons mee op hun levensreis. Hoe hun kind werd geboren. Hoe gelukkig ze waren. Hoe de jongen opgroeide en groter werd. Trouwde en hoe ze, maar zij helemaal, zich verheugden in het kleine nieuwe leven. We horen het liedje dat voor de kleine gezongen werd.
Het verhaal wordt onderbroken door een ander familielid. Met een emotievolle stem, vertelt ze ons over haar gemis. Hoe ze, als ze een kaarsje brandt, een sterretje aan de hemel zal zien.
We horen hoe de overledene werk zocht en vond. Haar werkgever probeert iets over die tijd te vertellen. Over de band die er met de anderen in het bedrijf was ontstaan. Hoe ze met elkaar hadden meegeleefd. Over de lege plek die er nu was.
Langzaam maar zeker gaan we naar het einde toe. Hoe de ziekte in zo’n korte tijd haar lichaam had gesloopt. Hoe alles uit de kast was gehaald, maar het mocht niet...
Een vloek rolt de zaal in.
Sorry.
Muziek vult opnieuw de zaal. Iets van hen samen.
Dan schaart zich de familie om de kist.
Mensen lopen langs de baar en nemen afscheid.
Het is emotioneel.
Een laatste groet.
Even stilstaan en dan weer verdergaan.
Een stem zingt:

De nacht valt zwaar
in de schaduw van de ondergaande zon
we zijn weer teruggekomen
op de plek waar het begon
en twee mensen gaan hun eigen weg van hier


Douwe Janssen

 


Elisabet

Een traan zakt bijna ongemerkt naar beneden. Het gebraden vlees, waarvan Zacharias smakelijk eet, smaakt haar niet. Ze probeert het al kauwend door te slikken, maar er lijkt wel een brok in haar keel te zitten. Vanmorgen, opnieuw die teleurstelling.
Meer dan tien jaar zijn ze getrouwd. Ze leven met elkaar als man en vrouw. Maar nog steeds is ze niet zwanger. De eerste jaren had ze zich daar geen zorgen over gemaakt. Ze was nog jong toen ze met Zacharias trouwde. Maar met het verstrijken van de jaren, nam haar onrust toe.
Als ze door het dorp loopt, voelt ze dat andere vrouwen haar opnemen. Ze staan voor hun huis, met naast zich vaak een paar kinderen. Dat schrijnt. Telkens als ze thuis komt, moet ze huilen. Zacharias probeert haar wel te troosten, maar dat lukt maar gedeeltelijk. Hij zegt wel eens: ‘jij bent me meer waard dan vijf zonen.’ Maar ze voelt zich toch als vrouw tekort schieten. Haar man, op wie ze trots is, priester van beroep, kan zij geen opvolger schenken.
De rabbi heeft haar eens de geschiedenis van Hanna voorgelezen. Hoe ook die naar een kind had verlangd. Gehuild en gebeden had. En op Gods tijd… Als geen ander weet Elisabet hoe Hanna zich moet hebben gevoeld. Elke maand opnieuw de werkelijkheid onder ogen zien. Ze weet dat Zacharias, ondanks hun kinderloosheid van haar houdt. Maar heeft ze niet in zijn ogen het verdriet gelezen, als er weer een maand om was, ze opnieuw haar hoofd schudt. Want haar moederschoot blijft gesloten.
De reizigers op weg naar Jeruzalem, doen haar onbewust pijn. Op weg daarheen, zingen de pelgrims hun liederen. (Ook psalm 128.)
Je bent gelukkig als je trouw bent aan de Here en leeft naar zijn wetten. Bekend gemaakt met de Thora. Dat was voor hen geen zaak. Zacharias en Elisabet stammen beiden uit de priesterfamilie en weten wat God van hen vraagt. Daar houden ze zich heel precies aan.
Mannen onderweg zingen: een vrouw heeft zoveel kinderen als druiven aan een tros. Als je trouw bent aan de Here.
Opgewaaid stof van het pad, prikt in de betraande ogen van Elisabet. Ze stopt om, op een steen gezeten, haar tranen af te vegen. Terwijl de anderen doorgaan, hoort ze in de verte woorden als: kleinkinderen zien…vreugde. Vrede over Israël.
En God?
De hemel is gesloten, zoals haar moederschoot.
De jaren verstrijken. Was de bron van verdriet opgedroogd? Nee, maar tegen wil en dank hebben beiden zich bij de feiten neergelegd.
Op een dag gaat Zacharias alleen naar Jeruzalem. Het lot is op hem gevallen om het offer te brengen.
Hij zal een paar dagen wegblijven. Hij kust Elisabet die thuis zal blijven. Liever in eenzaamheid thuis, dan tussen al die vrouwen met hun kinderen. Ogen, die naar haar kijken, ontwijken. Zij, de onvruchtbare.
Ze veegt met een bezem het binnenplein aan. Ze is nog steeds een knappe vrouw, maar verdriet heeft haar gezicht getekend. De lijnen om haar mond zijn versterkt. Het haar dat onder haar sluier vandaan piept, heeft aan glans ingeboet. Bidden doet ze nog wel, maar niet meer om een kind. Dat is voorbij.
Terwijl Elisabet leunend op de bezemsteel, haar gedachten laat gaan, steekt Zacharias het hout onder het altaar aan, met daarop het te brengen offer. Als de vlammen zich om het hout krullen, staat daar ineens een engel naast hem, die hem vertelt dat Elisabeth een zoon zal krijgen. Zacharias laat van schrik de lange vleesvork uit zijn handen vallen.
Wat… hoort hij het goed?, Elisabet …een zoon? God, bidden verhoord… kan niet.
Maar stel…. Hoe weet ik…?
De mensen buiten op het plein, klaar met bidden, kijken elkaar aan. Waar blijft de priester? De zon zakt onder de horizon en nog steeds blijft het stil bij de ingang.
Dan eindelijk, maar… Een ontsteld gezicht blikt de menigte aan. Wat heeft dit te betekenen? Ontdaan staat Zacharias voor de mensen. Praten kan hij niet en hij gebaart met zijn handen dat de mensen moeten gaan. Ze roepen: ‘ vertel, wat is er met je gebeurd?’ Maar Zacharias wijst alleen maar.
Als na verloop van tijd het tempelplein leeg is, gaat Zacharias opnieuw naar binnen. Hij blijft daar zitten en overdenkt de woorden van de engel. Zij zullen een kind krijgen en Johannes moet hij heten. Hij zal lijken op de profeet Elia. Het duizelt Zacharias. Hoeveel jaren waren ze niet getrouwd. En maand na maand en jaar na jaar en nu…!
Hij ruimt in de tempel de dingen op, die gebruikt zijn bij het offeren en de volgende dag gaat hij naar huis. Elisabet ziet hem aankomen en roept: alles goed gegaan, Zacharias?
Maar haar man zwijgt en pakt haar bij de arm en samen lopen ze naar binnen. Bij Elisabet is de schrik om haar hart geslagen. Zacharias gebaart naar zijn mond. Maar er komt geen geluid uit. Dan zoekt hij naar een griffel en schrijft woorden: Engel, stom, een zoon, God.
Elisabet schudt met haar hoofd. Toe Zacharias, vertel me, wat is er gebeurd?
Opnieuw schrijft Zacharias: profeet… mensen, de Heer.
Elisabet staat met open mond haar man aan te kijken. Ze begrijpt het niet. Maar ze voelt dat er iets bijzonders is gebeurd.
De volgende morgen, als ze wakker worden, kan Zacharias nog niet praten. Opnieuw probeert hij met een griffel in zijn hand iets te verduidelijken. Maar het lukt maar voor een gedeelte. Ook de mensen in hun dorp hebben er geen besef van, wat de oorzaak is van het plotseling niet meer kunnen praten van Zacharias. Maar na verloop van tijd, wordt het gewoon. Zacharias gaat als een stomme door het leven.
En dan, als een wonder, begint zich iets te ontwikkelen in de schoot van een onvruchtbare.
Elisabet krijgt na een paar manden zekerheid. Niet te geloven! Dat zullen de mensen in het dorp zeker ook niet doen en daarom blijft Elisabet zoveel mogelijk in huis.
Op een dag veegt, ze de binnenplaats schoon, kijkt omhoog. Haar hart vervuld van vreugde. Dan schrikt ze op van een vrouwenstem die haar begroet. In haar buik trappelt het kind.
Twee vrouwen, vol van de Geest, omarmen elkaar. Woorden, niet zelf bedacht, buitelen over elkaar heen.
Kerst is bijna begonnen.

Douwe Janssen
 

Wilt u één van deze columns gebruiken, stuur dan een mail naar douwe@douwejanssen.nl

                      

 

Vorige Volgende 

 

 

Copyright © Douwe Janssen, e-mail: douwe@douwejanssen.nl

Laatst bijgewerkt: 20 februari 2017