Colums van het jaar 2003

 

Home Over Douwe Presentatie Boeken

Verhalen En verder... Contact
 

 

 

 

Acht zijn er te veel!

Hè …hè…’t zit er op voor vandaag. ‘t Was me het dagje wel.
Onderuitgezakt hing ik in mijn stoel.
Toen de klok zijn acht slagen de kamer in sloeg, zette ik de t.v. aan.
Journaal.
De eerste beelden buitelden de kamer binnen. De stem van de nieuwslezer gaf, beheerst en zonder emotie, uitleg bij de beelden.
Ik zag bomen heen en weer zwaaien door de wind. Afgerukte takken lagen op de grond.
De storm en de daarbij vallende regen hadden veel schade aangericht. Dat kon je wel zeggen. Rivieren hadden zich breed gemaakt om al het water te kunnen vasthouden.
Terwijl mijn vrouw met de koffie de kamer binnenkwam, zag ik een bus op zijn kant liggen:
Acht doden. Zes mensen waren in kritieke toestand in het ziekenhuis opgenomen. Vermoedelijke oorzaak: een klapband.
‘Je zult maar terugkomen van vakantie’, zei ik en pakte een plak cake
‘Erg’, zei mijn vrouw.
‘Wacht even’, zei ik en ik hoorde dat een terrorist zichzelf had opgeblazen en twaalf mensen meenam de dood in. Ik zag ambulances met gillende sirenes. Polities - of waren het militairen? – probeerden met heftige armbewegingen, alles onder controle te krijgen. Ik zag mensen wanhopig en jammerend heen en weer rennen. Een brancard met iemand erop. Een arm hing slap naar beneden.
Ik slikte mijn cake door en mompelde: ‘het moet toch niet gekker worden’
Terwijl ik de melk in de koffie doorroerde hoorde ik dat er in een Afrikaans land een hongersnood dreigde als er niet gauw hulp kwam. Miljoenen mensen zouden sterven.
Ajax had door een twee nul overwinning zijn voorsprong op zijn naaste concurrent vergroot, en PSV had aan een gelijk spel voldoende.
Even later drukte ik de t.v uit en pakte de krant die naast mijn stoel lag en terwijl ik begon te lezen hoe iemand in Amerika een school binnendrong en met zijn automatisch wapen dertien mensen doodschoot, vroeg mijn vrouw me wat voor weer we de volgende dag kregen. Ik wist het niet meer. Het was niet tot me doorgedrongen. Net als al die doden.
Het waren er te veel in één journaal. En ongemerkt groeide er op mijn ziel een eeltlaag.

Na het gras gemaaid te hebben - die avond - rommelde ik nog wat in de voortuin.
Het geluid van een stoppende auto deed me opkijken.
Ha… een van mijn dochters. Ze zat in de verpleging.
‘Leuk dat je even langskomt’, zei ik een kus op haar wang drukkend.
‘Kom maar mee, gaan we gelijk naar binnen.’
Toen ik mijn handen in de keuken waste, ging het door me heen, dat ze er belabberd uit zag. Nou ja… misschien nachtdienst gedraaid?
Even later nam ik haar op.
Inderdaad een beetje bleek zat ze op de bank. Haar schouders licht gekromd.
Mijn vrouw vroeg haar hoe het ging.
‘Wel goed’, zei ze.
Erg overtuigend vond ik het niet klinken.
‘En op het werk?’, vroeg ik.
‘Och…’
‘Je hoeft niet….’, probeerde ik….
Toen…
‘Een rotdag vandaag. Waarom moeten er toch altijd mensen doodgaan!’
Ze bukte zich. Pakte een sigaret uit haar tas, stak hem aan en zoog de rook naar binnen. Ze hoestte. Ze was het niet gewend … roken.
Het tikken van de klok was duidelijk in de stilte te horen.
Mijn vrouw zette een glas drinken voor haar neer.
‘Was het een van de bewoners?’, vroeg ze.
Ze knikte.
‘Een man. Net zo oud als pappa. Het leek heel goed te gaan na de operatie. Hij was zelf ook heel blij dat hij er doorgekomen was. Hij had er om gebeden, vertelde hij mij.’
Ze drukte met trillende vingers haar half opgerookte sigaret uit in de asbak.
‘Weet je’, zei ze, ‘het went nooit. Doodgaan!’
Toen we beiden zwegen, ging ze door.
‘Ik weet wel dat die man geloofde dat hij naar de hemel zou gaan. Maar toch…!’
Ze veegde met een snelle beweging de opkomende tranen weg.
Probeerde haar schouders te rechten.
‘Stom hè…, zei ze, ‘dat ik me zo laat gaan. Maar soms wordt het me even te veel en ik dacht… ‘

Toen ze later wegreed keek ik haar na. De achterlichten van de auto verdwenen langzaam om de hoek. Het geluid van de motor stierf weg. Terwijl ik daar stond, moest ik denken aan wat we die avond aan tafel hadden gelezen. In het laatste deel van de bijbel Het kreeg na ons gesprek nog een diepere dimensie.
Het ging over de wederkomst van Jezus. De dood zou niet het laatste woord hebben. Al leek het zo.
En God stond helemaal niet onverschillig tegenover ons verdriet.
Sterker nog. Hij was zo met ons mensen begaan, dat Hij een nieuwe hemel en aarde beloofd had. Hij zou weer tussen de mensen wonen. Zoals eens in het paradijs. We zouden het beleven. Moet je nagaan!
Haast niet voor te stellen!
Maar wat Hij beloofde… daar kon je van op aan!
Daar stond de Bijbel vol van.
En alle tranen die er gehuild werden?
Hij zou ze bewaren… in een kruik.
Ik dacht ook die van mijn dochter.
 


Douwe Janssen

 

 

 

 

Een ideale vader?

Vakantie… maar het gevoel moest nog komen.
“Komt er nou nooit een eind aan? ,” vroeg ik wanhopig en ongeduldig. Ik keek naar de kinderen die opnieuw een koffertje en een grote Edahtas naast de auto zetten.
“Heeft mamma gezegd dat je al die rommel mee moest nemen?”, vervolgde ik toen er geen reactie kwam.
“Het is elk jaar dezelfde ellende. Jullie slepen maar aan en ik weet niet waar ik met die troep allemaal heen moet.”
Doordat de kinderen zich in stilzwijgen hulden, misschien wel uit ervaring?, smeet ik gramnietig – ja, ik denk dat dit de beste vertaling van mijn gemoedstoestand van dat moment was – de Edahzak op het imperiaal van de auto. Daar bleef het even wiebelen om er dan aan de andere kant weer af te glijden. Ik zag nog net dat onze tweede dochter moeite deed om haar lachen te onderdrukken, toen ze zich omkeerde en het huis weer binnenging. Ik slikte om een verwensingen binnensmonds te houden.
Nu gebied de eerlijkheid te zeggen, dat vakantie houden met vijf dochters en de begenodigde tenten, een hele onderneming is. Maar volgens mijn vrouw ben ik, om weg te komen, altijd veel te ongeduldig en te slordig.
“Als je nu eerst dit onderaan…. en …”
De zucht die ik slaakte – ja, als je wat langer getrouwd bent hoeft aan elke gedachte geen woorden gekoppeld te worden – deed mijn vrouw zeggen: “Bekijk het maar!”
Nou, dat deed ik, ondertussen de Edah tas een schop gevend. Door het gerinkel en gerammel zag ik dat het mijn eigen toiletspullen bevatte. Wie… had…?
Voor mij hoefde de hele vakantie niet meer zo nodig. Maar ja ,we zouden naar de Helder, dus…
Ik liep het huis binnen en vroeg aan mijn vrouw, die boven was, of er nog veel kwam.
“Ik heb hier nog een vuilniszak met dekens en twee koffers staan”, zei ze.
“Ik hou dat nooit allemaal”, wierp ik wanhopig naar boven. “Is het nou echt nodig dat die meiden zoveel troep meeslepen. Het is maar voor veertien dagen en… “
“Ik help je zo wel. Wacht maar even tot ik hier klaar ben.”
Even later werd de auto opnieuw leeggehaald en volgestouwd.
“Kijk, de dekens kunnen onder stoelen en op de kussens kunnen ze straks wel zitten. Eerst de koffers op het imperiaal en dan kunnen de tenten… “
’t Was bijna middag toen we reden, maar alles zat er in en op. De meiden ingeklemd op de achterbank, zich nog een beetje gedeisd houdende. Misschien kwam dat mee door mijn dreigende taal van die morgen: “Nog een verkeerd woord en het is de laatste keer dat we op vakantie gaan.”
Bij een benzinepomp, vlak voor de afsluitdijk aten we onze eerste ijsco en viel er een last van me af. We hadden vakantie!
De tenten stonden glad in de ondergaande zon te glanzen. De buren voor en naast ons hadden ons voorzichtig begluurd en opgenomen.
“Een hele drukte buurman”, hadden ze gezegd.
Of dat ons gezin of het oprichten van ons onderkomen betrof, wist ik niet. Maar ik had geen tijd en behoefte aan directe contacten.
We troffen het met het weer. De zomer was ons gunstig gezind en mijn stemming opperbest. Fluitend deed ik met de kinderen de afwas en ook voor de ‘grote’ was draaide ik mijn hand niet om. Met knijpers in mijn mond geklemd, hing ik de slipjes van mijn dochters en de badhandoeken aan het provisorisch opgezette waslijntje.
Het leven was goed. Ik kon nu aan mijn vrouw en kinderen laten zien, dat ik ook andere kanten bezat. Echter het scheen dat niet alleen zij dat opmerkten.
We kwamen elkaar tegen op weg naar het toiletgebouwtje. De overbuurman en de andere buurman.
Ik groette vriendelijk en zei dat het leven goed was.
Hun reactie deed me schrikken.
“ Het was goed buurman, totdat jij kwam.”
De verwondering droop waarschijnlijk van mij gezicht.
“Hoe bedoel je?”, vroeg ik.
“Jij met je uitsloverij: Je verpest het voor ons allemaal. Onze vrouwen zeggen: Moet je onze buurman eens zien. Dat is een vader, zeg. Zie eens hoe geduldig dat hij met zijn kinderen omgaat en zelfs de was doet.
Diep in gedachten liep ik later terug naar de tent.
 

 

Douwe Janssen

 

 

 


EURO…..

Vakantie!
Slenterend liepen we langs de boulevard. Hand in hand. Tot aan de kledingrekjes toe. De blouses werden behoedzaam opzij geschoven. Geduldig stond ik te wachten en als er toch ongemerkt een zucht ontsnapte, lachte mijn vrouw me verontschuldigend toe.
‘ Haast je maar niet’, zei ik bij het rek stilstaand. ‘We hebben immers vakantie!’
Ik was er verbaasd over dat mijn stem niet sarcastischer klonk, hoewel het misschien ook niet erg overtuigend was.
Wat liefde al niet vermag!
Gelukkig bleef verderop het trottoir leeg.
Doorlopend prees ik de zegeningen die we hadden.
Vakantie.
De zon die uitbundig scheen en mijn oude botten verwarmde.
Ziet u me gaan?
Mijn vrouw knikte instemmend, maar haar spiedende blik had in de verte een nieuw rek ontdekt. Ze versnelde lichtjes haar pas toen ze het bord boven het rek ontcijferde, waarop 40% korting stond geschreven.
Wat nou zonde dat de maten niet klopten met die mijn vrouw gewoonlijk draagt.
‘Wie weet’, zei ik, ‘misschien verderop.’
Een mens mag toch hopen, nietwaar?

Net voor de volgende stop zat een jonge vrouw op de stoep. Ik had haar niet eens opgemerkt. Met naast zich een klein kind van pakweg drie jaar dat zijn groezelige handje uitstak. En in het Portugees hoorde ik haar vragen om een euro.
Verrast bleef ik staan en mijn verbazing steeg toen ik de moeder zag zitten. Ze wiegde een baby aan haar blote borst zachtjes heen en weer. Donkere ogen keken me aan. Ik probeerde haar blik te vangen, er iets uit te lezen.
Ongemerkt schudde ik mijn hoofd. Mijn hand die al halverwege mijn beurs zat, terughalend.
Wie weet wat ze met het geld doet’, ging het door me heen.
‘Misschien is ze door haar man – een onverlaat – er wel neer gezet en verdrinkt of vergokt hij het geld in de kroeg!’
In de lichte windvlaag die ineens voorbij ging hoorde ik een stem fluisteren.
‘Wat hebben we het goed! Vakantie…’
Opnieuw zakte mijn blik naar beneden. Het kleine kind lag doodstil. Ik miste de smakkende geluidjes die me nog vaag bekend in het gehoor lagen.
Ik drukte mijn achterdocht weg en trok mijn beurs.
Een blouse of korte broek had heel wat meer gekost.
Toen mijn vrouw de eerste blouse opzij schoof, keek ik nog éénmaal om.
De vrouw zat nog op dezelfde plaats. Het kind in haar armen.
Ineens grinnikte ik.
Hoe bestaat het.
Een kind krijgt plotseling dorst als er vakantiegangers voorbij lopen. Donkere ogen zouden mensen taxerend opnemen. Een groezelig handje zou uitgestrekt om een euro vragen. Een blote borst zou het verzoek onderstrepen. En alleen diegene die niet bij een kledingrekje willen stilstaan, zouden doorlopen.
Ja toch!
 


Douwe Janssen

 

 

 

 

 

Henk vind jij ook….?

Ze stapte zelfbewust de bus binnen.
Zo’n twintig paar ogen namen haar op.
Of ze het voelde?
Ze lachte ons in ieder geval vriendelijk toe en wurmde zich door het gangpad.

Wij waren de dag ervoor op onze vakantiebestemming aangekomen. Moe van de reis stonden we voor de balie van ons appartementencomplex. De eerste indruk was goed. Toen we naar onze tijdelijke woning liepen voelden we ons bekeken. Je zag mensen denken: ‘nieuwelingen.’ Nu was die conclusie gemakkelijk te trekken. Wit en vermoeid waren we het zonovergoten eiland binnen gevlogen.
Traag trokken we onze koffers over het ons nog onbekende paadje. Het huisje rook naar een schoonmaakmiddel, dat niet zo gauw thuis te brengen was. Verder straalde het afwachting uit. Met een diepe zucht gooide ik de koffers op het bed.
Uitpakken.
Mijn vrouw prees me omdat ik het steeds handiger deed. Maar dat zal wel tactiek geweest zijn. (Dacht ik later!)
De eerste nacht sliep ik onrustig. Ik moest aan het bed wennen en het bed aan mij. Je hoorde geluiden die je niet thuis kon brengen. Het aanslaan van de koelkast, een stem die door de muur probeerde te dringen. Het starten van een auto.

De volgende morgen werden we met een bus opgehaald. Samen met anderen konden we iets van onze nieuwe bestemming zien en kon de reisleidster alles in een keer uitleggen.
We moesten vooral de tocht over het eiland meemaken. En als we wilden pinnen, moesten we opletten, omdat er mensen op uit waren om onze pingegevens in handen te krijgen.
Het kon verbeelding zijn, maar ik had het gevoel dat ze mij aankeek toen ze dat vertelde. De leeftijd misschien? Of keek ik werkelijk zo onnozel?
O ja, en als we een dokter nodig hadden…
En als de dames een flesje parfum wilden aanschaffen konden ze dit het beste doen bij de zaak die zij ons aanbeval. Dat scheelde mooi 20%. Ik voelde in mijn linkeroog een traan van ontroering opkomen, terwijl mijn rechteroog begon te twinkelen van ingehouden pret.
Maar voor dat dit allemaal gebeurde stapten ze de bus binnen.

Een vakantie echtpaar, net als wij.
Hij voorop en zij volgde. Iets waar menig man van droomde.
Op haar gezicht lag een natuurlijke spontane trek.
Toen ze moeite had om het gangpad door te lopen, want moeder natuur had haar in alles rijkelijk bedeeld, en dan zeg ik het bescheiden, riep ze: “Henk, vind jij ook dat de gangpaden steeds smaller worden?”
Haar lach rolde door de bus.
Vakantie… heerlijk op zijn tijd.


Douwe Janssen


 

 

 

 

Van rollegien tot kniepertie

Het was gewoonte dat we nieuwjaarsdag naar mijn schoonouders gingen. Je kon het niet maken om de volgende dag te gaan. Ook al had je elkaar een paar dagen eerder nog gesproken… nieuwjaarsdag hoorden we present te zijn.
We dronken dan koffie met een nieuwjaarsrolletje en later een citroentje na.
Vaste gewoontes en gebruiken die bij het leven hoorden.
We wensten elkaar over en weer een goed jaar toe… ja, heil en zegen… en daar was de kous mee af. De laatste gebeurtenissen werden besproken… wat een vuurwerk en lawaai… eigenlijk te gek… geld kon beter besteed worden…
Nee, echt diepgaand waren de gesprekken vaak niet. Dit kwam misschien mee doordat de kamer vol mensen zat en och men praatte vroeger niet zoveel over iets wat zich binnen in een mens aan gedachten en gevoelens afspeelde.
Toen mijn schoonmoeder me de trommel met nieuwjaarrolletjes voor hield, pakte ik er een uit.
‘Neem er maar twee’, zei ze.
Ja, ik kon wel een potje bij mijn schoonmoeder breken. Was met haar enige dochter getrouwd en ik roemde haast altijd de jurk die ze droeg.
‘Weet je wat ook lekker is’, zei ik. ‘Een lekkere dot slagroom er in spuiten.’
Mijn schoonvader hoorde het en ik zag in zijn ogen een lichte begeerte opkomen.
Jammer.
We konden het vergeten
Of het voor ons eigen bestwil was of dat het een dieper liggende achtergrond had werd ik niet gewaar.
Wel de volgende overlevering.
Het nieuwe jaar moesten we zien als het rollegien. Het lag opgerold voor ons. Het was niet te overzien wat ons te wachten stond. Natuurlijk lag alles in Gods hand besloten, dat stond buiten kijf en daarom zei men dat ook niet. Nee, een rollegien moest je er aan herinneren dat het nieuwe jaar veel voor je verborgen had. En met het voortschrijden van de tijd zou je het zien. Een heel klein beetje kon je nu al opmerken. Dan moest je door de opening kijken. En dus daarom juist geen slagroom.
Ik pakte het tweede rolletje dat naast mijn kopje lag en keek door de opening. Na enig richten zag ik de bruine ogen van mijn vrouw. Ze keken me verwachtingsvol aan. Maar ook met iets van vertrouwen erin.

Een jaar liep ten einde.
Het had ons veel gebracht. Hoopvolle dingen waren uitgekomen, maar ook verdrietige zaken hadden zich ontrold. Nog een paar dagen en we zouden de drempel overstappen naar het volgende jaar.
Toen ik die avond de auto op de oprit parkeerde en even later de sleutel in het slot stak, drongen heerlijke geuren mijn neus binnen. In de keuken was mijn vrouw druk bezig met het bakken van knijpertjes. Ze lagen goudbruin gebakken opgestapeld op de keukentafel.
Ik drukte vluchtig een kus op de wang van mijn vrouw, die warm aanvoelde van het bakken of van blijdschap dat ik thuis kwam, wie zal het zeggen. Terwijl het volgende knijpertje sissend werd gebakken, pakte ik de bovenste van de stapel. Het knijpertje voelde nog warm aan en verbrokkelde in mijn mond.
Mijn vrouw streek met een of ander plat stuk gereedschap het nieuwgebakken knijpertje van het ijzer.
‘Zal ik hem oprollen?’ vroeg ik haar.
Ze schudde met haar hoofd van nee.
‘Niet doen’, zei ze.
Terwijl ik mijn wenkbrauwen optrok hoorde ik: ‘je weet toch nog wel wat mijn moeder ooit vertelde. Aan het einde van het jaar bakken we de knieperties plat. Als symbool dat het jaar afgelopen is. Het is ten einde en je kunt achterom kijkend alles overzien.
Voordat ze nieuw beslag op het ijzer kon doen, gaf ik haar opnieuw een zoen.
‘Ik hou van je’, zei ik.

Die avond lagen naast het koffiekopje twee goudbruin gebakken kniepertjes mij aan te kijken.
Niet lang trouwens!
En op de koffie een dot slagroom.

Vol Godsvertrouwen gingen we een paar dagen later het nieuwe jaar binnen.


Douwe Janssen

 



 

 

     



 

Verhalen Boeken Presentatie Contact

 

Copyright © Douwe Janssen,
e-mail: douwe@douwejanssen.nl

Laatst bijgewerkt: 07 december 2017