Beste luisterraar,

 

Voor de meeste van u zullen de vakanties weer voorbij

Het normale leven, heeft weer bezit van ons genomen.

Misschien worden hier en daar nog wat vakantie kiekjes doorgekeken.

De thuisblijvers zijn blij hun buren, vrienden of kinderen weer te zien.

En wij?

Ja, wij zijn ook weer terug.

Herinneringen vergezellen ons.

Aan sommigen heb ik woorden gegeven.

 

Verscholen tussen de bomen aan de dorpstraat staat de kerk.

Klokken roepen ons welkom toe.

De drempel overstappend, druk ik snel even de hand van de predikante.

‘Gute Morgen’, prevel ik.

Aan mijn uitspraak zal ze zeker gehoord hebben, dat ik hun taal niet goed beheers.

Maar gewoontegetrouw zijn we toch gegaan.

 

Het orgelspel klinkt jubelend de kerkzaal in.

Vijf minuten later schrijdt de predikante – het had wat leeftijd betreft mijn dochter kunnen zijn – het gangpad door.

De wijde toga zwabbert rond haar tengere lichaam.

De groene sjaal steekt helder af tegen het zwart.

Al lopend duwt ze een haarlok opzij, die snel weer haar oorspronkelijke positie inneemt.

 

De organist doet zijn best om de gekozen liederen juichend te begeleiden.

Ik brom al struikelend over de woorden het gezang mee.

De preek probeer ik al vertalend bij te benen, maar spoedig kan ik de snelheid niet meer aan.

Ik maak er geen punt van, de geschiedenis is me bekend.

Jezus staande aan het meer.

Weet u nog?

Hij roept de vissers toe dat ze het net aan de andere zijde van de boot in zee moeten werpen.

Het zal later boordevol zal zitten.

 

Echter zover is de predikante nog niet.

Ze heeft het over netten.

Netten waarin mensen verstrikt kunnen raken.

Netten van angst, eenzaamheid, verdriet, ziekte, armoede.

Of in internet.

 

Maar ik ben de draad zo langzaam aan kwijtgeraakt.

Om mee heen kijkend zie ik mensen geboeid luisteren.

De predikante gaat al prekend de strijd opnieuw aan met de weerbarstige haarlok.

Volgens mij moeten de vissen zo langzamerhand wel in het net zijn gezwommen.

En zal de preek spoedig afgelopen zijn.

 

 Dus ga ik er weer voor zitten.

Nee dus…

Ze neemt me opnieuw mee in haar verhaal.

Het gaat over een man die zijn vrouw betrapt heeft bij overspel.

In hun leefgemeenschap hebben ze daar hun eigen wetten voor.

De doodstraf.

Vanaf de rotswand zal ze in het diepe ravijn worden geduwd.

Het recht zal zijn beloop hebben.

 

De nacht voor de executie wil de vrouw haar man om vergeving vragen, voordat ze zal sterven. Maar hij is er niet.

Tegen het vallen van de avond was hij naar buiten gegaan.

Als de zon langzaam over de bergrug naar boven kruipt, is hij nog niet thuis.

 

De vrouw wordt onder gefluit en gekrijs naar het ravijn gesleurd.

Boeten zal ze. Haar verdiende loon.

 

Ze sluit haar ogen als ze voor de afgrond staat.

Haar ademhaling stokt, maar begint stotend weer op gang te komen.

Mannen houden haar in de houdgreep gevangen.

Dan…

Een gil weerkaatst tegen de rotswand.

 

Na een val van twintig meter veert de vrouw omhoog.

Stevige touwen, als een net gespannen, breken haar val.

 

Haar man….

 

De hele nacht heeft hij gewerkt.

Touw na touw heeft onder aan het ravijn gespannen.

Zoals een vrouw vroeger een sok stopte.

 

Wat liefde vermag.

 

Ziet u met mij in die man Jezus?

Zal Hij mijn vangnet zijn als ik voor Gods rechterstoel kom te staan?

Mij opvangen in zijn uitgestrekte armen.

Roepend, voor hem, voor haar, heb ik geleden.

De straf gedragen, de dood doorgegaan.

 

En de vissen in het meer dan, vraagt u zich af.

Waar zijn die gebleven?

 

Ze zullen wel in het net terecht zijn gekomen, want zo staat het in de Bijbel.

 

Douwe Janssen 

                      

 


 

 

 

 

Copyright © 2008 Douwe Janssen, e-mail: douwe@douwejanssen.nl

Laatst bijgewerkt: 27 november 2015