Uitvliegen


Beste luisteraar.


Het lijkt wel of alles anders is dan vroeger.
In plaats van winter lijkt het wel voorjaar te worden.
De vogels merken het ook.
Je kunt ze ’s morgens al weer horen.
Voorzichtig proberen ze hun eerste lied.
Je ziet merels op het grasveldje heen en weer trippelen.
Nog even en dan worden de nestkastjes weer bevolkt.
En krijgen pa en moe koolmees het weer druk.
Ze doen hun uiterste best om de geopende bekjes te voeden
En dan…
Vliegen ze de wijde wereld in.

We stonden samen voor het raam.
“Hoor je ze?" vroeg mijn vrouw. “Kijk ze zitten daar in de meidoornboom. Hoor je ze roepen en fluiten?" Ze wees naar de vogeltjes de boom.
Toen we thuis kwamen hadden we het ontdekt. Onze koolmeesjes stonden op het punt van uitvliegen. Wekenlang hadden we gezien hoe de ouders af en aan vlogen. Verwonderd hadden we gekeken .naar alle vliegjes en rupsjes die ze in hun bekje meevoerden. We hadden nooit geweten dat er zoveel insecten rondom ons huis te vinden waren.
Toen ze genoeg gevoed waren werd het tijd dat ze op eigen vleugels gingen vliegen. En hoe kwamen ze zover? Ik wist het niet.
De beide ouders zaten niet ver van het nestkastje in de boom. Ze deden niet anders dan fluiten en roepen: “Kom maar... kom maar. Je kunt het wel."
In het kastje - tegen onze muur - hoorden we gefladder, dan viel er weer even een stilte, maar even later stak een klein vogelkopje door het ronde gaatje naar buiten. Het piepte. “Ik durf niet... ik durf niet. Ik kan niet vliegen."
“Kom op", floot vader koolmees. En hij schudde zijn snavel op en neer. Alsof hij zijn fluiten kracht wilde bijzetten.
"Niet bang zijn", piepte moeder koolmees. “Als je bij ons in de boom durft te komen krijg je wat lekkers." En om haar woorden te onderstrepen vloog ze van de tak om even later met een dikke vlieg in haar bek voor het broedkastje langs te vliegen: “Toe... maar... kom... maar. je kunt het! "
De jonge vogel fladderde met zijn vleugeltjes in het nestkastje heen en weer. Hij piepte zo erg dat mijn vrouw en ik haast medelijden met hem kregen.
“Kijk...", zei mijn vrouw, “kijk daar gaat hij."
En ja hoor, daar vloog hij de wijde wereld in. Wat zou er van hem terechtkomen, dacht ik, toen ik hem nakeek. Zou hij het overleven in die grote wereld? Ik hoefde alleen maar aan de rode poes van even verderop te denken.
Ineens schoot het door me heen. Hoe zou het mijn ouders zijn vergaan? Achttien jaar hadden ze voor me gezorgd. Toen verliet ik het ouderlijk nest. En mijn eigen kinderen? Ook zij zijn uitgevlogen. God bewaar ze.
Hoe staat het ook alweer in de Bijbel? Zoals een adelaar zijn vleugels spreidt en onder zijn jongen vliegt - om ze op te vangen als het nodig is - zo slaat de Vader Zijn arm om zijn kinderen. Ja, zo ongeveer moet het er staan.
Gelukkig maar.


Jonge mensen, och wat fladderen ze soms.
Ouderen, …wat een rust is het te weten dat er iemand is die je opvangt.
Meegaat op je laatste tocht.
En tegen al zijn kinderen zal Hij zeggen:
Welkom thuis.


Een fijne zondag nog.

 


Gedeeltelijk uit: ‘Allerdaagse ontmoetingen’
 

 


Douwe Janssen





 

                      

 


 

 

 

 

Copyright © 2008 Douwe Janssen, e-mail: douwe@douwejanssen.nl

Laatst bijgewerkt: 27 november 2015